Betuwelijn; Een jachtkamp in de duinen blootgelegd

Houtfragmenten, een bronzen sikkel en spinklosjes: de opgravingen in het tracé van de Betuwelijn.

VAN OUDSHER, tot in prehistorische tijden, vormde het Nederlandse rivierenland een aantrekkelijk oord voor de mens. Omdat er stromend water in de buurt was als transportweg en om er vis uit te halen. Omdat het gebied over hogere, zandige delen beschikte, waar de mensen konden wonen. En omdat de grond van lichte rivierklei zich leende voor de akkerbouw. Zo was het al eeuwen voor Christus' geboorte, later in de Romeinse tijd en de Middeleeuwen en het is in feite zo gebleven, tot op de dag van vandaag.

Dat verklaart waarom streken als de Alblasserwaard en Betuwe een belangrijk deel van het nationale bodemarchief herbergen: de bodem als bewaarplaats van gegevens over de ontwikkelingsgang van de Nederlandse bevolking. En daarom mag het geen wonder heten dat archeologen hier een schat aan materiaal hebben opgediept, vooral de laatste jaren, sinds de plannen voor de Betuweroute, de goederenspoorlijn tussen tussen Rotterdam en Zevenaar, naar buiten kwamen. Zo'n nieuw stuk infrastructuur dwingt immers tot boren en graven en wel op plaatsen waar het spoor komt te liggen; als eenmaal de bulldozers en draglines van NS verschijnen, is het te laat.

Een van die locaties ligt in de gemeente Geldermalsen, vlakbij de A15, waarmee de Betuweroute zoveel mogelijk wordt gebundeld. Wie, komend uit Rotterdam, even voor het knooppunt Deil naar links kijkt, ziet voornamelijk hopen aarde en een paar schaftwagens. Dichterbij ontwaart men een brede, ondiepe put, waarin zich een verfijnde vorm van grondwerk voltrekt. Archeologisch personeel schaaft de bodem laag voor laag af op zoek naar verborgen voorwerpen en andere sporen van vroegere bewoning. Elke vondst, inclusief een lichte verkleuring van oppervlak of profiel, wordt gekoesterd, zorgvuldig opgeborgen dan wel ingetekend op een detailkaart. Later moet alles in de computer.

Aan de rand van de put kijkt Marten Verbruggen van de Projectgroep Archeologie Betuweroute goedkeurend en tegelijk gespannen toe. Hij is een van de twee periodeprojectleiders bij de opgravingen in het Betuwetracé. Het woord periode slaat op archeologische tijdvakken, in zijn geval de prehistorie, waarover geen geschreven bronnen bestaan. Zijn collega houdt zich bezig met protohistorische vindplaatsen: van de Romeinse tijd tot en met de Middeleeuwen, die wél geschriften hebben opgeleverd.

Hier in Geldermalsen - locatie Eigenblok - gaat het om een boerderij met erf uit de bronstijd, ruwweg tussen 2000 en 1000 voor Christus. Behalve de gebruikelijke scherven van aardewerk zijn hier nog betrekkelijk gave fragmenten, circa vijftig centimeter lang, van verticale houten palen of staanders gevonden. “En dat is vrij uitzonderlijk na zoveel eeuwen”, meldt Verbruggen. “We hebben die vondst te danken aan de hoge grondwaterstand ter plaatse. De palen hebben met hun voeten in het water gestaan en daardoor is de onderkant intact gebleven. We hebben ze natuurlijk meteen in plastic verpakt, want als er zuurstof bijkomt, zijn ze binnen de kortste tijd verpulverd.”

Eigenblok behoort tot een reeks van 28 hoogwaardige vindplaatsen in de Betuweroute, 'toppers' volgens Verbruggen. Daarvan stammen verreweg de meeste uit de bronstijd, enkele uit de nog oudere steentijd en de rest uit Romeinse tijd en Middeleeuwen. Van die 28 vindplaatsen wordt ongeveer de helft na een beperkt proefonderzoek verder met rust gelaten. De rails zullen er maximaal een halve meter hoger komen te liggen, waardoor de ondergrond met zijn archeologische inhoud voortaan intact blijft.

Maar dat betekent ook dat dit materiaal voorgoed voor het menselijk oog verborgen blijft, want die Betuwelijn, eenmaal aangelegd, zal er wel eeuwig blijven liggen. Verbruggen: “En wat dan nog? Als je een stuk van het bodemarchief ongeschonden kunt bewaren, is dat altijd beter dan vergraven en dus vernietigen. En wat die eeuwigheid betreft, dat hoeft zo'n vaart niet te lopen. Misschien dat we er over vijftig, desnoods honderd jaar toch weer iets mee kunnen doen. Wij archeologen hebben nu eenmaal een lange-tijdsvisie, we kijken niet op honderd jaar.”

Wat hem en zijn collega's deugd heeft gedaan, is dat ze het traject in een vroeg stadium konden aanboren. Dat is vooral te danken aan een begin 1992 ondertekend 'Europees verdrag inzake de bescherming van archeologisch erfgoed'. Deze Conventie van Malta (de ondertekeningsplaats) schrijft onder meer voor dat archeologen al in de planningsfase van grote werken bij het bodemonderzoek worden betrokken. Hoewel het verdrag nog niet in de Nederlandse wetgeving is verankerd (zie pagina 4), hebben de betrokken ministers in dit geval bepaald alvast 'in de geest van Malta' te zullen handelen en zo was het mogelijk de Betuweroute geruime tijd vóór de aanleg op bodemvondsten te beproeven.

Dat heeft althans op één plaats tot een geringe wijziging van het tracé geleid. Daar wordt de Betuwelijn in verband met de bodemgesteldheid niet verhoogd, maar horizontaal een meter of tien verlegd om de archeologie te beschermen. Het betreft een locatie bij Hardinxveld-Giessendam in de Alblasserwaard, tevens een van de interessantste en ongetwijfeld de oudste vindplaats in de reeks. Hier zijn de resten aangetroffen van een zogenoemd jachtkamp uit circa 5500 voor Christus, op de grens van midden-steentijd en nieuwe steentijd. Het was een plek waar vuren werden gestookt, de jachtbuit werd opgegeten en vuurstenen werktuigen werden vervaardigd, zoals uit diverse vondsten is gebleken.

Verbruggen: “Vaststaat dat hier een groep mensen een tijdelijk onderkomen vond, misschien voor een paar weken, mischien voor een heel seizoen. Bewoonden ze hutten of wellicht een soort tenten van huiden? We weten het niet, want tot nu toe zijn er geen sporen van gevonden. En waar die mensen vandaan kwamen, is ook onduidelijk. We hebben voorlopig twee opties: van de zandgronden in Brabant of van het oostelijke rivierengebied, de Betuwe dus.”

In het geval Hardinxveld-Giessendam zijn de archeologen geholpen door de geologen. De geologische kaart van Nederland geeft aan dat zich ter plaatse net onder het maaiveld twee zandduinen bevinden, zogenoemde donken ofwel verhogingen in het landschap, dat in prehistorische tijden vrijwel geheel uit moerassen bestond. Verbruggen: “We zijn diverse verhogingen op de Betuweroute gaan bekijken in de veronderstelling dat het geschikte woon- of verblijfplaatsen waren en dat klopte: in Giessendam was het prijs.”

Archeologische vondsten zijn voor de archeologische leek in veel gevallen weinig spectaculair. Waar de vakman een gat in de lucht springt bij de ontdekking van prehistorische paaltjes, afgeslagen stukken vuursteen of viswervels, kan de gemiddelde buitenstaander daar weinig emotie aan ontlenen. Op de Betuweroute is het niet anders. Potten met gouden munten of onderaardse schilderingen zijn nog niet aan het licht gekomen. Maar misschien dat de volgende vondsten enigszins tot de verbeelding spreken: een bronzen sikkel uit de bronstijd, metalen mantelspelden uit de Romeinse periode en glazen spinklosjes uit de Middeleeuwen.