Beeldende kunst

Riki Simons richt haar pijlen op het beurzen- en stipendiasysteem van de Nederlandse overheid (20 september). Zij geeft hier een eenzijdig beeld. In een land als Duitsland wordt op dezelfde schaal steun verleend aan beeldend kunstenaars, alleen in een andere, minder in het oog springende vorm.

Het idee dat het Nederlandse systeem de markt verziekt en smaakconsensus in de hand werkt is dan ook vooral het gevolg van negatieve beeldvorming; koffiedrinkende commissieleden rond een vergadertafel die hun persoonlijke voorkeuren tegen elkaar zouden wegstrepen.

Mijn ervaring is dat er binnen de kunstwereld in feite niets is waar zo weinig consensus over bestaat als over de kunst zelf. Smaakconsensus bestaat alleen in de ogen van de kunstenaars die zich slachtoffer voelen. Binnen het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst wordt voortdurend onderzoek gedaan naar en gediscussieerd over de effectiviteit van verschillende vormen van subsidiëring.

Uiteindelijk draait het tendentieuze betoog van Riki Simons om de stelling dat de Nederlandse kunst internationaal geen belangrijke rol speelt als gevolg van de vergaande overheidsbemoeienis. Inderdaad is de reputatie van Nederlandse kunst in het buitenland matig - hoewel er tekenen van een kentering zijn - maar ik bestrijd dat dat te maken heeft met een gebrek aan kwaliteit. Die reputatie heeft haar wortels in het tijdperk van de Beeldende Kunstenaars Regeling en is sindsdien niet afdoende weersproken vanuit Nederland zelf.

Tirades en jammerklachten zoals die van Riki Simons zijn de laatste tijd steeds vaker te horen, zowel in als buiten de kunstwereld. Het begint te lijken op een collectief project van zelfkastijding, waarvan het netto resultaat alleen maar kan zijn dat nóg meer tijd en energie wordt opgeslokt door frustratie en rancune. Pleidooien om subsidies af te schaffen, academies te sluiten, aankoopbudgetten in te trekken en musea te populariseren zijn van het soort kleinburgerlijkheid dat zichzelf op de borst slaat om de eigen bravoure maar uiteindelijk de verschraling in de hand werkt die het pretendeert te bestrijden. Het zou beter zijn om op constructieve wijze de fouten uit het verleden te herstellen en tegelijk de mogelijkheden en kansen voor de toekomst te benutten.