Archeologen; Manager met schop

De moderne archeoloog schrijft op aanbestedingen in, doet aan planning, 'stuurt het proces'. Oudere archeologen kijken met argwaan naar deze verzakelijking van hun vak.

MAAK KENNIS MET de archeoloog-nieuwe-stijl. Hij waakt over budgetten van miljoenen guldens. Hij stuurt en stimuleert tientallen, ja, soms meer dan honderd medewerkers. Hij is in de weer met bestekken, waarin tot op de dag nauwkeurig is aangegeven wanneer terreinen van vele voetbalvelden groot van a tot z op archeologische sporen zijn onderzocht. Kortom, hij is manager en aannemer tegelijk.

Neem nu Boudewijn Goudswaard. Sinds 1993 is hij namens de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) gedetacheerd bij NS Railinfrabeheer, om leiding te geven aan het archeologisch onderzoek van het project Betuweroute. Hij zetelt in een van die grote, zielloze kantoorgebouwen langs het spoor bij Utrecht CS. In zijn kamer staat een flipover, waarop hij regelmatig diagrammen tekent. Aan de muur hangt een groot planningsbord. Met rood zijn de kritieke activiteiten als de aanleg van kabels en leidingen aangegeven: dan is er geen enkele uitloop meer mogelijk en moet het archeologisch veldwerk echt klaar zijn en de grond bouwrijp.

Zijn voorlichtster heeft liever niet dat hij het zegt, want het klinkt zo cru, maar hij doet het telkens weer, om een beetje te provoceren en de zaak extra duidelijk te stellen: zijn belangrijkste taak, zegt Goudswaard, is ervoor te zorgen dat de Betuweroute aangelegd kán worden. Dat betekent dat hij erop moet toezien dat het veldwerk in 1999 klaar is en dat het hele archeologische project in 2005 is afgerond. In dertien jaar tijd is dan voor 45 miljoen gulden 160 kilometer grond geïnventariseerd, zijn ongeveer zeventien vindplaatsen opgegraven, elf vindplaatsen behouden en beschermd en zijn de resultaten van zeventien opgravingen gepubliceerd.

“Hoezo archeoloog nieuwe stijl”, werpen enkele oudgedienden als de Leidse hoogleraar prehistorie dr. L.P.Louwe Kooymans tegen. “Alsof wij bij onze opgravingen iets anders hebben gedaan dan oog hebben voor tijd, geld én kwaliteit.”

“Ja”, geeft Goudswaard toe. “Maar die planning zette je niet op papier. Die had je in je hoofd zitten. Er was toch geen opdrachtgever aan wie je verantwoording moest afleggen.”

Bovendien ging het toen nog om overzichtelijke opgravingsprojecten. Alleen de opgraving van het Kops Plateau in Nijmegen heeft - op last van de rechter - tien jaar mogen duren. En toen was nog niet alles van onder meer een Romeins legerkamp opgegraven. De officiële verklaring luidt dat er meer in de grond bleek te zitten dan verwacht was. Bovendien wilde de ROB op den duur een deel niet meer opgraven, maar beschermen. Maar in de wandelgangen wordt de hand ook wel in eigen boezem gestoken: als bij een echte overheidsdienst is van een strakke planning toen geen sprake geweest.

Dat kan niet meer, beseffen nu ook de archeologen, want Nederland gaat de komende jaren flink op de schop: de aanleg van de A27, de Betuweroute, de hogesnelheidslijn en de uitbreiding van steden zijn aan de gang of staan voor de deur. De archeologen hebben het voor elkaar gekregen dat er binnen deze projecten rekening met hun belangen worden gehouden. Maar daar zit wel de voorwaarde aan vast dat ze hun werk binnen een van te voren vastgestelde termijn en binnen een budget gereed hebben.

Archeologen hebben lang gedacht dat het voor hen zo goed als onmogelijk was om aan deze eisen te voldoen. Je weet immers nooit precies wat je in de grond zult aantreffen. “Maar het blijkt dat we meer kunnen voorbereiden dan we dachten”, zegt Goudswaard. “We hebben na onderzoek een beter inzicht in de duur en kosten van opgravingen gekregen.”

Terwijl Goudswaard al zo ver is dat uit zijn mond zinnen uit het managementhandboek zijn op te tekenen (“je moet sturen, maar niet met een vastgelast stuur”) reageert een groot deel van de archeologische wereld nog onwennig op de verzakelijking en schaalvergroting van het archeologische werk.

De grote opgravingen worden, alsof het bouwprojecten zijn, aanbesteed aan instellingen met een opgravingsbevoegdheid zoals de archeologische instituten van de universiteiten. De instituten die belangstelling hebben, worden uitgenodigd een offerte in te dienen. Nu kregen de archeologen van de universiteit van Groningen onlangs van de ROB te horen dat zij niet mochten meedingen naar opgravingen in het kader van de Betuweroute. Even dreigde een juridisch conflict met vrije mededinging als inzet, maar uiteindelijk bleek alles mee te vallen: de Groningers mochten rustig meedingen, als ze beter aangaven dat de Betuweroute-opgravingen binnen hun onderzoeksprogramma vielen. Anders zou er sprake zijn van misbruik van hun opgravingsbevoegdheid.

Een tweede misverstand ontstond rondom het auteursrecht. Iedere opgraver bij de Betuweroute moet een contract tekenen. Daarin staat onder meer dat het recht op eerste publicatie bij de opdrachtgever ligt, NS Railinfrabeheer. Sommige archeologen dachten toen dat NS Railinfrabeheer daarmee publicatie over hun onwelgevallige vondsten zou kunnen tegenhouden. Ook in dit geval wordt de soep minder heet gegeten dan hij is opgediend. De juridische afdelingen van de universiteiten hebben de archeologen uitgelegd dat een bepaling over het eerste publicatierecht heel gewoon is bij contractonderzoek.

“NS Railinfrabeheer”, weet Boudewijn Goudswaard, “gebruikt het recht op eerste publicatie om ervoor te zorgen dat alle opgravingen eenvormig worden gepubliceerd.” Bovendien staat het de universiteiten na vijf jaar sowieso vrij om te publiceren, terwijl archeologische publicaties meestal langer op zich laten wachten.

Maar naast onwennigheid is er ook gejuich. Door de megaprojecten is er de komende jaren volop werk voor de circa vijfhonderd professionele archeologen in Nederland. Sterker nog, er dreigt een tekort. De Stichting voor de Nederlandse Archeologie (SNA) vindt dat minister Ritzen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) een initiatief moet nemen om te voorkomen dat dit tekort daadwerkelijk ontstaat.

Intussen, ondanks alle snelle ontwikkeling, lopen de archeologen toch een beetje achter de feiten aan. De eerste opgravingen zijn al begonnen en er is nog geen opleiding voor de archeoloog-nieuwe-stijl. Pas in januari beginnen de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit met een postdoc-cursus 'efficiënt plannen van grote opgravingsplannen'. De Leidse archeologen halen hun neus op voor deze variant. Zij gaan er vanuit dat hun studenten die nieuwerwetse managementervaring wel in de praktijk opdoen.

En dan is er ook nog prof.dr. H.A. Heidinga, hoogleraar middeleeuwse en post-middeleeuwse archeologie aan de Universiteit van Amsterdam. Straks zijn er dan wel een heleboel archeologen aan het werk en dat is mooi, maar, verzucht hij, “straks is er aan de universiteiten geen archeoloog meer die is aangesteld om na te denken”.