Amerika's eenzame strijd tegen Iran

De Amerikanen is alles eraan gelegen om een regime in te tomen dat volgens hen terrorisme steunt. Inclusief grote ruzie met Europa.

WASHINGTON, 2 OKT. De Amerikaanse regering was nooit een voorstander van de wet die buitenlandse bedrijven straft die investeren in de olie-industrie van Iran of Libië. Maar toen het wetsontwerp, dat afkomstig was uit het Congres, vorig jaar het bureau van president Clinton bereikte, tekende hij het toch. Het was een verkiezingsjaar, de druk uit het Congres was groot en de overtuiging dat met name Teheran internationaal terrorisme steunt is in Amerika nog altijd diep geworteld. De ramp met vlucht TWA 800, waarbij 230 mensen om het leven kwamen, gaf het laatste zetje. Hoewel de oorzaak van het ongeluk nog steeds niet is bewezen, en de these van een mechanische oorzaak steeds meer gewicht krijgt, waren de Amerikanen zich plotseling weer pijnlijk bewust van hun kwetsbaarheid voor terrorisme. Washington moest een daad stellen.

Een jaar later, nu de Franse oliemaatschappij Total, het Russische Gazprom en het Maleisische Petronas een gascontract met Iran hebben gesloten ter waarde van twee miljard dollar, zit de Amerikaanse regering met de gevolgen in haar maag. Volgens de wet (die bekend staat als de wet-D'Amato, naar de senator die een van de initiatiefnemers was), moet de regering sancties opleggen aan buitenlandse ondernemingen die meer dan 20 miljoen dollar investeren in de olie-industrie van Iran of Libië. Amerikaanse bedrijven was het al eerder verboden zaken te doen met Iran. Vorige week nog liet president Clinton het Congres weten dat Europa een hardere lijn tegenover Iran moet volgen om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van de wet. Clinton heeft de wet getekend en hij kan zich er moeilijk van distantiëren nu het er voor het eerst op aankomt om er gevolgen aan te verbinden.

Europa mag verontwaardigd zijn dat de Amerikanen hun wetten willen opleggen aan bedrijven in andere landen, in Washington gaat de kwestie over iets heel anders. Voor de Amerikanen draait alles om de bereidheid om een regime in te tomen dat, in de woorden van het State Department, terrorisme steunt, dat vastbesloten is om massavernietigingswapens te ontwikkelen en dat er bovendien op uit is om het vredesproces in het Midden-Oosten te ondergraven. De zogenoemde 'kritische dialoog' die de Europese Unie met Iran wil voeren, wordt in de Verenigde Staten gezien als een rookgordijn dat moet verhullen dat de Europeanen winstbejag boven internationale veiligheid stellen. Daarom brieste minister van Buitenlandse Zaken Albright dinsdagavond dat “onze vrienden en bondgenoten er niets van snappen. Ze denken dat er een manier is om zaken te doen (met de Iraniërs) zonder hen te steunen”.

Dat de eenzame, harde lijn van de Amerikanen tegenover Iran niets heeft opgeleverd is Washington niet ontgaan. En dat Teheran de lachende derde is nu de Amerikanen overhoop liggen met hun Franse bondgenoten, die worden gesteund door de rest van de Europese Unie en Rusland, maakt de hele situatie voor de Amerikanen nog onaangenamer dan ze toch al is. Maar Clinton moet nu de prijs betalen voor zijn besluit van vorig jaar om zich niet tegen de wet te verzetten. Hij en zijn minister van Buitenlandse Zaken kunnen voorlopig niet veel anders dan de ingeslagen weg volgen. Het Congres, waar Iran nog altijd geldt als de favoriete boeman, volgt de zaak met argusogen.

Dit voorjaar gingen in Washington gerespecteerde stemmen op, onder meer van de voormalige veiligheidsadviseurs Zbigniew Brzezinksi en Brent Scowcroft, om de Amerikaanse Iran-politiek op de helling te zetten en het land niet langer te isoleren. President Clinton verklaarde deze zomer zelfs dat een pijpleiding die van Turkmenië, via Iran, naar Turkije moet gaan lopen, niet tot Amerikaanse sancties zal leiden. Maar die geluiden zijn verstomd. Alleen het bedrijfsleven blijft klagen dat de Amerikaanse sanctie-politiek handenvol geld kost, omdat Amerikaanse ondernemingen nu lucratieve projecten mislopen op een markt waar de Europese concurrenten, ongeacht de Amerikaanse strafmaatregelen, wel ambitieuze projecten in gang zetten.

In een hoofdartikel riep The New York Times de Amerikaanse regering gisteren op om haar sancties niet op Frankrijk te richten, maar op Iran. De transatlantische ruzie zou met diplomatieke middelen beslecht moeten worden, niet met economische strafmaatregelen. Alleen dan kan er uitzicht zijn op een gezamenlijke aanpak van het Iraanse regime, waarvan de politiek “ernstige gevaren oplevert, niet alleen voor Amerikaanse belangen maar ook voor de veiligheid en voorspoed van Europa”, aldus de krant.