Otar Iosseliani toont het kwaad in alle tijden; Picknicks worden altijd executies

Brigands, chapitre VII. Regie: . Met: Amiran Amiranachvili, Dato Gogibedachvili, Guio Tzintsadze, Nino Ordjonikidze. In: Desmet, Amsterdam; Plaza Futura, Eindhoven.

Er bestaan vast nog mensen die kinderen en hun poppen uit brandende huizen redden, maar de Georgiër Otar Iosseliani is er nooit een tegengekomen. Wel kent hij een koning die zijn magere koningin een kuisheidsgordel omdoet. De koningin ondergaat het ritueel gedwee, maar de koning heeft zijn hielen nog niet gelicht of een hofdame tovert een reservesleutel tevoorschijn. Toch gaat de kuisheidsgordel niet af. Koningins minnaar mag hem nog een keer op slot doen.

Otar Iosseliani, eerder maker van Les favoris de la lune en La chasse aux papillons, is een meester in dit soort wendingen. Hij laat ze eerst onverwacht lijken, om dan snel instemming te oogsten: wat hij heeft bedacht, is waarschijnlijker dan wat het publiek had verwacht. En uiteindelijk is het in deze film altijd zwarter.

Brigands begint als een mokerslag van realisme over een burgeroorlog in Sarajevo of Grozny of Tbilisi, waar de film na een jarenlang verblijf van de regisseurin Frankrijk , is opgenomen. Terwijl er tanks door de straten rijden en een vrouw haar man door het raam een lunchpakket en een geweer aangeeft, haalt dronkaard Vano het statiegeld op voor zijn lege flessen. Iosseliani filmt deze zwerver van achteren door het vizier van een sluipschutter. De schutter, een mooi meisje, mist, en al binnen een paar minuten heeft Iosseliani dan voor een stuiterbal van emoties gezorgd: het is jammer dat ze mist want ze is mooi en ze wil haar werk goed doen - het lucht op want Vano was al als hoofdpersoon van de film neergezet en met hem vereenzelvig je je dus - het beschaamt want als Vano omkijkt is hij het niet die de schutter miste, maar heel iemand anders. Brigands, dat in de epiloog al 'per ongeluk' het einde van de film liet zien, is dus ook een film over film, en over het kwaad in de kijker, als je het zo noemen wilt. Iosseliani noemt het soms overlevingsdrang.

Als altijd is het bij een film van Iosseliani makkelijk om je in afzonderlijke scènes te verliezen; daarin is al zo veel te beleven, ook al staat de camera meestal stil. Toch is Brigands een film met een heldere, zij het ongebruikelijke, ordening. De film speelt zich af in drie verschillende tijden en telkens worden de hoofdpersoon - de zwerver, de koning en een zakkenroller die onder de communisten opklimt tot volkscommissaris - zijn makkers en zijn vrouwen gespeeld door dezelfde acteurs.

Soms heeft Iosseliani even oog voor de schoonheid van de Kaukasus, maar dan wordt een picknick toch weer een executie. In de jaren dertig brengen we veel tijd door in de burcht van de geheime dienst, waar de mannen die de martelwerktuigen verhitten, ook nog lekker willen eten. Behalve aan Buñuel en Tati doet Brigands in sommige scènes aan Monty Python denken.

Iosseliani maakte met Brigands, die vorig jaar in Venetië de juryprijs won een boze film die nu eens grof en dan weer subtiel als komedie poseert en zonder mildheid maar met veel sentiment altijd eenvoudig zegt dat het kwaad van alle tijden is. Toch is er wel enige verandering. In een ver verleden kan Iosseliani zich zijn Elkerlyck nog als koning voorstellen. In de jaren dertig is hij afgedaald tot volkscommissaris met een dictator boven zich. In het heden is hij een zwerver, een machteloze. Maar dan neemt een ander het wel over: een kind maait met een machinegeweer haar wapenhandelende ouders neer. Daarmee begint de film ook, en zo weet Iosseliani van de geschiedenis letterlijk een cyclus te maken. Tegelijkertijd gunt hij de kijker met deze constructie een beetje rust. Door zo duidelijk te laten merken dat het een film is waar we naar kijken, een film waarvan de spoelen verwisseld zijn, laat hij merken dat de werkelijkheid misschien wel anders kan zijn.