Ode

De meeste mensen leggen de krant na de ochtend- of avondkoffie op een stapel, ik kak erop. In de afgelegen schuur op het desolate Gelderse platteland die ik mijn atelier noem is geen toilet. Mijn bolus vouw ik keurig op, doe er een plastic zakje omheen, wandel met het lauwwarme pakketje door het bos en deponeer het in de gemeentelijke afvalbak naast het verpoosbankje.

Nee, op het platteland wonen geen junks die zich in leven houden met in vuilnisbakken graaien, die zie je alleen in de stad. Net als mensen die op straat in hun eentje luid lopen te praten met een sigaret in de ene en een telefoon in de andere hand.

Die andere dagelijkse behoefte, urineren, blijkt een probaat middel tegen brandnetels - je doet ze simpelweg de dampen aan. Overig afval wordt regelmatig, liefst op een windstille dag, in een halve maan van stenen verbrand. Bij voorkeur 's nachts, de witte rookkolom reikt dan als een diffuse, tijdelijke en voortdurend van vorm veranderende boom naar de sterren. Soms warrelen minieme gloeiende deeltjes omhoog. In de winter is het effect overdonderend, alles is wit, de brieven en de papierproppen die worden verast, de rookboom, het uitspansel. Boven en onder versmelten, horen en zien vergaan - onvermijdelijk denk je aan je gecremeerde gelieven.

Nacht op het platteland is een modern mirakel. Geen lichtkoepel van straatlantaarns, neonreclames, huizen en boerderijen, noch het bekende monotoon grommende monster (auto's, metro, tram). Tijdens heldere nachten fonkelt het uitspansel, het wereldplafond. In de suizende stilte hoor je jezelf eindelijk denken.