Nederlandse jachtvelden

OVER EEN VERLOVING hield kroonprins Willem-Alexander zich bekwaam op de vlakte tijdens zijn recente tv-interview met Paul Witteman. Des te duidelijker was hij over de jacht: daar gaat hij mee door, maar hij wilde er verder niet over praten. Te gecompliceerd, zo gaf de toekomstige koning Willem IV te verstaan.

Dat oordeel getuigt in elk geval van een scherp inzicht in de politieke besluitvorming. Al twintig jaar dringt de Tweede Kamer aan op een nieuwe codificatie van de wetgeving inzake flora en fauna. Dat is een verbrokkeld en op onderdelen achterhaald allegaartje van Vogel-, Jacht- en Natuurbeschermingswetten, en diverse andere regelingen.

Pas deze week vond het Kamerdebat plaats over de Regels ter bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten, alsmede Nieuwe regelen ter bescherming van natuur en landschap. De omstandige titulatuur vermag de keiharde reden voor het tijdsverloop niet te verhullen: de jacht. Drieëndertigduizend jagers staan tegenover drie miljoen georganiseerde dieren- en natuurbeschermers. Het lijkt een ongelijke strijd, maar vlak de royalty-factor niet uit.

DE TEGENSTANDERS TONEN zich overigens eensgezind in hun kritiek op de nieuwe Flora- en faunawet. Nu is het in de mediawereld een vertrouwde vuistregel dat men nog niet zo slecht zit wanneer van beide kanten wordt geschoten op de berichtgeving. Afgaande op dit adagium kan minister Van Aartsen (Natuurbeheer) de uitslag van het debat met vertrouwen tegemoet zien. Hij heeft daar ook wel wat aan gedaan. Het oorspronkelijke wetsvoorstel, dat van het vorige kabinet stamde, bevatte licht-ontvlambaar materiaal in de vorm van een erkenning van “de zelfstandige waarde van de jacht”: het genoegen dat jagers eraan beleven.

Dat was eerlijk, maar politiek niet handig. De Kamer had inmiddels uitdrukkelijk afstand genomen van de recreatieve jacht als redelijk doel op zichzelf. Zij hield het bij minder lichtzinnige doelstellingen als schadebestrijding, volksgezondheid en verkeersveiligheid. Verkeersveiligheid? Ja natuurlijk: overstekend wild. Van Aartsen schrapte de recreatiefactor, al hield hij een bescheiden “oogstelement” (jacht ten behoeve van consumptie) overeind. De aanvankelijke lijst van 29 vrij te bejagen wildsoorten werd gekortwiekt tot zes.

Zelfs over de ingekorte lijst is nog wel wat te doen. Hij vormt nu al driekwart van de “gangbare buit”, zegt de minister. Negentig procent van de jachtbuit blijft in stand, protesteren de dieren- en natuurbeschermers, die niet nalaten er op te wijzen dat de schade die de bejaagbare vogels en zoogdieren zouden aanrichten slechts een fractie is van de totale landbouwschade. De fracties in de Tweede Kamer sputteren nog wat over de lijst van Van Aartsen, maar de wensen zijn zo uiteenlopend (moeflon erbij, patrijs eraf?) dat zij waarschijnlijk wel tegen elkaar vallen weg te strepen.

DE NUTTIGHEIDSLEGITIMATIE van de jacht komt uit deze politieke koehandel niet als het sterkste kenmerk van de nieuwe wetgeving naar voren. Toch ademt het geheel wel degelijk een restrictieve toonzetting. Het is dan verder wat men er in de handhavingspraktijk van maakt. Het maatschappelijk draagvlak voor de jacht brokkelt in elk geval onmiskenbaar af. Maar een algeheel jachtverbod zou een overmaat aan politieke correctheid zijn.