Maak niet van elke zeehond en ijsbeer een zendamateur; Een lepelaar met pootringen is minder wild

Het waren mooie beelden, de negen zeehonden die vorige week in het Brielse gat bij de Maasvlakte werden uitgezet. Ze hadden een opgeplakte feestmuts op hun kop, waaruit een antenne stak.

Het leek een kille toekomstfilm, waarin dieren op afstand worden bestuurd. Maar nee, in dit geval stuurden de dieren onderzoekers. Als mobiele zendamateurs geven ze gegevens door.

Het project waarvoor de dieren worden gebruikt is symptomatisch voor een snel gegroeide onderzoekscultuur waarin veel vanzelfsprekend wordt gevonden. Het wilde dier is steeds vaker proefdier. Het merken en individueel herkenbaar maken van wilde dieren heeft een hoge vlucht genomen. Vooral 'telemetrie' is erg in de mode: het 'zenderen' van wilde dieren zodat ze makkelijk gevolgd kunnen worden. Behalve radio-zenders zijn nu ook al de eerste camera's op dieren geplakt.

Daarbij kun je zowel ethische als esthetische bedenkingen maken. Onderzoekers hebben overal hun stempel gedrukt. Op de Noordpool lopen ijsberen met halsband en zender rond, en voor de zekerheid ook nog met een geverfd zwart cijfer op de witte flanken. Sinds kort dragen pinguins aan de zuidpool een elektronisch afleesbare streepjescode aan de snavel. En tussen die twee uitersten kun je van alles tegenkomen. Een trotse gems op een Pyrenese bergtop draagt een halsband met zender; in Afrika hebben olifanten behalve een zender, soms een witgekalkt flank- en rugnummer. Walvissen zwemmen inmiddels rond met in de rug geniete zenders, soms volstrekt nutteloos omdat de batterijen niet op hun taak berekend blijken. Zeeleeuwen dragen gebrandmerkte nummers op de gestroomlijnde flanken, mensenhaaien plastic tabs alsof het Hollandse koeien zijn.

Nederland loopt bij deze ontwikkeling vooraan. Vogelringen kunnen niet groot en talrijk genoeg zijn. Op vogels die als kleine wraakactie hun poten verbergen in water of lang gras, wordt een ander plekje benut: wilde zwanen en ganzen krijgen een kleurige halsband. En er wordt inmiddels een flinke rij diersoorten, van schollen en meervallen tot bevers en boommarters, elektronisch gevolgd. Een onderzoeker die zijn dieren niet 'zendert' en high-tech volgt, al dan niet via satellietverbindingen, telt niet echt meer mee.

Het eigenaardige met dat alles is dat een rechtvaardiging zelden gegeven wordt. Het achterliggende argument luidt: de dieren zijn er zelf bij gebaat, het is goed voor de soort. Als we heel precies weten hoe ze leven, kunnen we ze beter beschermen. Maar die lijn naar daadwerkelijke natuurbescherming is soms flinterdun. Vaak wéten we al hoe dieren beschermd moeten worden. Ze hebben ruimte, rust en voldoende voedsel nodig. Bedreigende factoren zijn soms betrouwbaar in kaart te brengen zonder dieren grootscheeps te merken of per satelliet op computers aan te sluiten. Wetenschappelijk interessant? Zeker. Maar wetenschappelijke nieuwsgierigheid op zich is nog geen reden om wilde dieren iets aan te doen.

De waarde van telemetrie is ook beperkt. Daarmee wordt het dier een abstractie, een punt op een kaart. Wat het precies doet of nastreeft op een bepaald moment, blijft echter verborgen. Die oude verrekijker was zo gek nog niet.

Overlast is er ondertussen in verschillende soorten. Zenders en batterijen zijn kleiner en lichter geworden, maar betekenen extra gewicht, beperking van bewegingsvrijheid en aantasting van een evolutionair zorgvuldig ontworpen stroomlijn. Daarnaast hebben veel dieren vrij precies voor ogen waar een mogelijke partner aan moet voldoen - soms vinden ze menselijke toevoegingen er gewoonweg niet uitzien. Een bewerkt dier kan dus in meerdere opzichten gehandicapt zijn. Het implanteren van zenders lijkt voordelen te hebben, maar blijkt riskant, en zo'n operatieve ingreep maakt wel erg nadrukkelijk proefdieren van wilde dieren.

Je kunt eindeloos praten over die mogelijke overlast - maar dat gebeurt nauwelijks. In publicaties grijpt men makkelijk naar predikaten als 'te verwaarlozen' of 'niet merkbaar'.

Er is meer dan de directe overlast voor de dieren zelf. Je kunt daar zeer bevlogen over doen: de authenticiteit van wat we 'natuur' noemen. Dat wil zeggen dat we dieren waar mogelijk in hun waarde moeten laten, en ruimte moeten laten voor autonomie. Maar het kan ook worden ingepast in het eigen belang van de mens. Misschien is het wel goed voor mensen zich af en toe figurant te kunnen voelen in een autonoom ogende natuur.

Misschien is het niet zo slecht als er iets is dat buiten ons om z'n gang gaat. Het kan heel prettig zijn nog iets te kunnen tegenkomen dat niet nadrukkelijk door je eigen soort is aangeraakt. Dat bewijst de populariteit van natuurreizen en -excursies.

De wilde wereld is al helemaal de onze, maar daar willen we niet steeds aan herinnerd worden door territoriumvlaggetjes van onderzoekers. Het is niet aangenaam na beklimming van een alp op een steenbok te stuiten met een oranje sjerp en twee kilo aan zendapparatuur, met daarboven een aan de vleugelpunten bijgeverfde lammergier.

Een lepelaar in een Hollandse wei met enorme pootringen die je in de zon al van verre tegemoet blikkeren is meteen wat minder wild. Hij wordt een onderdeel van koortsachtig menselijk gedoe waar de natuurliefhebber of recreant nu net eens van af wilde zijn. Dat geldt al helemaal voor mensen die het Europoort-gebied uitrijden om aan het Brielse gat een vleugje natuur te halen, om dan te zien dat de zeehonden die zich daar zomaar helemaal zelfstandig gevestigd hadden, gezelschap hebben gekregen van zeehonden met grote ogen en een feestmuts op de kop.

De natuur, die van zichzelf toch al een heel geslaagd experiment is, wordt steeds meer òns experiment. Nederland loopt voorop met de merk en zend-drift van natuuronderzoekers. Laat Nederland nu ook eens voorop lopen met zelfbeperkende maatregelen. Er kan gekeken worden wat de meerwaarde van high-tech aanpak is, het eventuele nut voor de soort, het ongemak voor het individuele dier, en ook hoe drastisch de ingreep is in esthetisch opzicht.

Manhaftig dieren vangende, verdovende en bewerkende onderzoekers krijgen al te makkelijk het aureool dat ze goed werk verrichten. Journalisten lopen bij mooi weer graag met onderzoekers door het veld, die 'hun beesten', zoals ze die wat eenzijdig amicaal aanduiden, 'gezenderd' hebben. Maar de vraag waarom dat nou echt nodig is, mag best wat vaker gesteld worden. Over de grenzen van toelaatbaarheid hebben onderzoekers wel extra kennis, maar niet de wijsheid in pacht.