Het besluitvormingsproces

Hoe lang duurt het voor een vraagstuk is herkend, van alle kanten onderzocht, en tenslotte algemeen erkend als vraagstuk waar iets aan moet worden gedaan? Dat kan jaren in beslag nemen. Dan komt het volgende vraagstuk: wàt zal men eraan doen? Soms weer een kwestie van jaren.

In Nederland is het traject van herkenning tot remedie dikwijls langer dan in het democratische buitenland. Daarover bestaan vergelijkende cijfers. Wat in het buitenland als traagheid wordt beschouwd, is hier noodzaak. De oorzaak is dat wij een consensusdemocratie hebben, waarin 'het beleid tot stand komt via het daaraan eigen besluitvormingsproces'.

De omschrijving laat al zien dat hier geen bliksemacties te verwachten zijn. En met dit woord 'besluitvormingsproces' wordt dan alleen beschreven wat openbare politiek is, dit althans hoort te zijn. Niemand weet van het verborgen passen en meten, het bepalen van de hoek waaruit de wind waait, het herzien van overtuigingen, het allerbehoedzaamst formuleren tot de tijd rijp is voor de krachtige uitspraken.

Zo gaat het met het oplossen van alle grote vraagstukken: Schiphol, de Markerwaard niet of wel, en zo ja, hoe groot (want er zijn inmiddels wel drie of vier plannen), kleine criminaliteit, gedoogbeleid, euthanasie, grote georganiseerde criminaliteit, en nu de criminaliteit van het zinloos geweld.

“Hier sta ik met lege handen”, heeft de minister-president gezegd, Wim Kok, het grootste politiek talent van de consensus dezer jaren. (Het is bedoeld als compliment). Zeker: met lege handen. Want hoe zou je een vraagstuk moeten oplossen dat jaren en jaren is gegroeid, en wel telkens weer, per incident herkend, zonder dat het algemeen als een politiek vraagstuk is erkend?

Al een paar weken ben ik niet in Nederland. Ik schrijf deze column nadat ik weer zes dagen Nederlandse kranten heb gelezen, zonder televisie te hebben gezien of een landgenoot met de laatste berichten uit het vaderland te hebben gesproken. Van verder weg valt het misschien meer op: de zich baanbrekende onthutsing en de openlijke radeloosheid. De Volkskrant heeft nu onder de kop 'GEWELD', geïllustreerd met een gebalde vuist, een serie waarin mensen die slachtoffer of dader zijn, vertellen van hun ervaringen. De pagina U waarop de lezersbrieven worden gepubliceerd, is voor een groot deel gevuld met 'gevallen uit de praktijk', van lezers die bijvoorbeeld zelf eens bij de ontmoeting met een straatterrorist een kaak hebben gebroken. 'Met lege handen' is de kop boven de column van Arnold Koper. Dat wil zeggen, hij schrijft zijn diagnose en komt niet verder dan de minister-president. Hoe lang is het geleden dat, als iemand zich beklaagde over criminaliteit, hij de raad kon krijgen eens een ander ochtendblad te lezen?

Inmiddels zijn we het er over eens: de maatschappij wordt belaagd door geweld, maar door wie, wanneer en waarom? Van leraren die in de klas een paar klappen krijgen is de laatste tijd niets gehoord. Loketbeambte kan in sommige steden, in sommige specialiteiten een gevaarlijk beroep zijn. Af en toe staat er een bericht in de krant: de politie heeft vastgesteld dat automatische apparatuur voor snelheidsmeting met een automatisch geweer is beschoten. Er zijn automobilisten die de wegwerkers bekogelen, om zodoende die de schuld van een vertraging te geven.

Ongerustheid over rauw geweld heerst niet alleen in Nederland. Tony Blair heeft toen hij aan zijn verkiezingscampagne bezig was, geopperd een avondklok voor jongeren in te stellen. Helmut Kohl gaat nu voor zijn herverkiezing, of comeback, op pad met een nationaal plan tot bevechting van de criminaliteit. Van Blairs avondklok hebben we niet veel meer gehoord; van Kohls plan weten we nog niet precies hoe het eruit ziet, maar het zal krachtig zijn. Zal het helpen? Dan zou hij de eerste zijn die de oplossing weet.

Alle deskundigen zijn het erover eens: de samenleving fragmentariseert. De kerken zijn allang in verval, al zijn er genootschappen met strenge eisen aan de gelovigen die weer meer toeloop krijgen. De grote politieke partijen hebben steeds minder leden, maar er zijn kleine die bloeien. Om dat alles te beschrijven hebben we intussen een aparte taal van sociologische gemeenplaatsen ontwikkeld. Uit de beschrijvingen wordt geen oplossing geboren.

Het feit blijft: de grote meerderheid wil met rust worden gelaten. Maar op allerlei manieren wordt ze aangevallen door een van samenstelling wisselende minderheid, die zich kenmerkt door een praktisch vrijtijds- of deeltijdfascisme, zonder ideologie of theorie, maar altijd met de klap, de trap, het schot als laatste argument. Op het ogenblik dat iemand van deze minderheid zich laat gelden, wordt onze in wezen nog altijd vriendelijke maatschappij onderdrukt door rauw terrorisme. Het uitoefenen van meer 'sociale controle' door met ons allen de straat op te gaan en het gezellige leven te hervatten, is een wereldvreemd plan van een dag. 'Sociale controle' op deze manier uitgeoefend is eerder een uitdaging dan een remedie.

In Nederland zijn we van mening dat strengere straffen misschien helpen maar we hebben een afkeer van de strengste. We willen misschien meer politie op straat, en minder ludiek uitgedoste ordebewaarders met hemelsblauwe pakjes of op rolschaatsen, maar we willen geen bekeuringscultuur. We willen ook niet met lege handen blijven staan. Wat dan wel?

Dertien jaar geleden, op een nacht aan de Herengracht in Amsterdam. Een meisje wordt gehinderd door ongeveer tien jongens. Vier anderen komen voorbij, trekken partij voor het meisje. De aandacht van de tien richt zich op de vier. Een van hen loopt zware verwondingen op aan milt en nieren; de milt is verwijderd. “De aanvallers, vermoedelijk kickboksers, gingen professioneel te werk”, meldt het politierapport. Het duurt lang voor we een professioneel antwoord hebben gevonden.