'Halfjaarlijkse controle van gebit dient geen doel'

DEN HAAG, 1 OKT. De halfjaarlijkse gebitscontrole dient geen doel meer en moet worden afgeschaft. De gezondheid van mond en gebit is nu in het algemeen beter dan in de jaren vijftig en zestig. Elke zes maanden standaard naar de tandarts kan zelfs schadelijk zijn wegens het gevaar van overbehandeling: een tandarts die een gaaf gebit behandelt, beschadigt het. De frequentie waarmee het gebit moet worden gecontroleerd kan beter voor elke patiënt afzonderlijk worden vastgesteld.

Dit zei prof. dr. R.M.H. Schaube in de rede waarmee hij gisteren het ambt van hoogleraar tandheelkundige zorgverlening aan de Groningse Universiteit aanvaardde. Op dit moment leidt de halfjaarlijkse controle in minder dan de helft van de gevallen tot behandeling.

Volgens Schaube gebeurt er in de huidige tandartsenpraktijk veel waarvan niet is aangetoond dat het leidt tot een betere gezondheid. Dit geldt voor de halfjaarlijkse controle, maar ook voor de behandeling. Daarbij is nauwelijks sprake van eenduidige indicatie. “Op het gebied van materialen, methoden en apparatuur bestaat wildgroei. (...) Het testen van materialen en methoden is in de tandheelkunde nog nauwelijks doorgedrongen: effectiviteit en doelmatigheid zijn dus vrijwel niet bekend”, aldus Schaube. “Een voorbeeld van beide is de vervanging van vullingen, een behandeling die veel voorkomt. Daarvan is het maar de vraag of dat wel moet, of het winst voor de gezondheid oplevert en of de kosten in verhouding staan tot die eventuele winst.”

Veel winst is er volgens de hoogleraar voor de mondzorg te behalen. De mondhygiënist moet dan als volwaardige professional worden erkend en niet langer worden beschouwd als hulpkracht van de tandarts. De mondhygiënist dient in een 'mondzorggroep' met de tandarts te gaan samenwerken. Daarin zou verder plaats kunnen zijn voor tandtechnici en prothetici. In de visie van Schaube zal de mondhygiënist daarbij als 'poortwachter' voor de tandarts functioneren: hij bepaalt welke patiënt door de tandarts zelf moet worden behandeld en welke bijvoorbeeld beter af is bij behandeling door de protheticus. De tandarts hoeft dan niet alle patiënten zelf te zien.

In zijn oratie hekelde Schaube ook de rol van de overheid. Hij wees daarbij op de sluiting van de tandartsopleiding aan zijn universiteit. Die ging in 1991 dicht omdat de opleidingscapaciteit te groot zou zijn. Rond die tijd veranderde dit inzicht en moest in Groningen een nieuwe opleiding worden opgezet om in het verwachte tekort te kunnen voorzien. In 1995 begonnen de eerstejaarsstudenten aan die opleiding tandheelkunde. Schaube wees erop dat het ministerie van Volksgezonheid wel pleit voor verdere uitbreiding van de opleiding voor tandheelkunde, maar niet voor die van mondhygienist. “Zo verdwijnen succesvolle ideeën rond het teamconcept weer in de ijskast.”