Een koloniaal restgebied

“Je witte huid is je visitekaartje. Let maar op”, zegt de Fries op een cynisch toontje. En inderdaad. Hoewel we indringers zijn, wordt ons geen strobreed in de weg gelegd tijdens de inspectie van de privé-gronden van de Franse Club Mediterranée. De 'Med' heeft bij Cap Skirring het mooiste deel van de Senegalese kust geannexeerd, dicht bij de grens van Guinee-Bissau.

De plek oogt als een nobel koloniaal restgebied. Het in Afrikaanse stijl gebouwde bungalowdorp wordt met slagbomen bewaakt. Het personeel is zwart. Diola's reinigen de appartementen en onderhouden de tennisbanen. Ze plukken met de hand het onkruid uit het gladgeschoren gazon van de golfbaan en vegen in het tuincomplex de aan de bougainville-struiken ontvallen rode en roze bloemblaadjes bijeen.

Via het hotel-restaurant, dat op zee uitkijkt, bereiken we de stenen trappen die naar het strand voeren. Een Afrikaanse werknemer komt ons tegemoet met ligbedden en badlakens, waarna hij zich discreet terugtrekt. Op een wenk van de Fries worden een bijzettafeltje en een koeler met witte wijn aangedragen.

Het zand is hagelwit. De palmen gedragen zich zoals van ze verwacht wordt. Ze wuiven in de wind en bieden schaduw aan overwegend Franse badgasten, die na de lunch een uiltje knappen. De oceaan heeft de ideale zwemtemperatuur van 28 graden celsius. Het water dat in de kommetjes van de romantische rotspartijen achterblijft, is glashelder. Een ontwaakte Française dompelt zich tot op schouderhoogte in het zeewater en keert met een volledig intact gebleven coiffure terug naar haar ligbed om zich verder in het levensverhaal van Brigitte Bardot te verdiepen. “Europese toeristen in Afrika! Ik haat ze”, zegt de Fries.

Senegelase handelaren die de rust van badgasten plegen te verstoren, schitteren door afwezigheid. Afgezien dan van het bejaarde, folkloristisch uitgedoste pindavrouwtje dat hardop in zichzelf praat. Voor de kust duikt nu een door vissers bemande boomkano met een buitenboordmotortje op. Het weerloze notedopje worstelt zich door de zware branding. De vissers, in tot op de draad versleten broeken, springen over boord om hun met vis beladen vaartuigje aan land te duwen. Tijdens het transport van de lading naar het restaurant, rennen de bezwete mannen zonder op of om te kijken over het strand. De laaste zak met vis is nog niet afgeleverd of de kano wordt al weer afgeduwd om als een deinend stipje in de oceaan te verdwijnen.

“Verderop ligt een vissersdorp. Daar komt mijn vrouw vandaan. Ze was oesterverkoopster”, zegt de Fries. Hij rookt en drinkt in een hoog tempo en wekt de indruk overspannen te zijn. “Waar is ze nu”, vraag ik. “We wonen in Guinee-Bissau, daar werk ik”, zegt de Fries. Naarmate de wijnfles leger raakt, wordt de Fries loslippiger. Als student in de landbouwkunde is hij tijdens een verblijf in Senegal in de ban geraakt van Tida, de oesterverkoopster. Ze weten je te betoveren, die Afrikaanse vrouwen, legt hij uit. Hij nam haar mee naar Nederland, waar Tida verwachtte om, naar goed Afrikaans gebruik, door haar schoonfamilie als dienstbode te worden ingezet. Tida, die kan lezen noch schrijven, raakte verrassend snel ingeburgerd in Friesland, waar haar twee kinderen werden geboren. Haar echtgenoot ontwikkelde daarentegen een hartverscheurende heimwee naar Afrika.

“Tida is tegen haar zin met mij mee teruggegaan naar Afrika. Ze zag de bui al hangen. Als Afrikaan kom je niet onder je familie-verplichtingen uit”, zegt de Fries, die een administratieve functie bekleedt bij een in Guinee-Bissau opererende Zwitserse hulp-organisatie. “Waarom denk je dat ik hier tussen die bekakte Fransen zit met hun neerbuigende vriendelijkheid tegenover die zwarte loonslaven?” “Geen idee”, zeg ik.

De Fries geeft uitleg. “Als ik 's avonds thuiskom, kan ik niet bij mijn computer omdat Tida's moeder en Tida's zusters in mijn werkkamer liggen te slapen. In de huiskamer zitten Tida's ooms en neven mijn bier op te drinken. Het huis zit altijd vol met familieleden die bij ons eten en geld van ons willen. Schatten van mensen hoor, maar er is niet tegenop te verdienen. Gek word ik van die familie. Je hebt nooit meer rust in je eigen huis. Maar Tida kan ze niet weigeren, dat druist finaal tegen de traditie in. Daarom knijp ik er af en toe alleen tussen uit.”

Boven de zee cirkelt een visarend. De Afrikaanse boy brengt de tweede fles wijn. De tussen twee culturen beknelde Fries steekt een nieuwe sigaret op. Morgen zal hij met zijn jeep terugkeren naar Guinnee-Bissau, waar hij door zijn Afrikaanse familie met open armen zal worden ontvangen.