België houdt 'halsstarrig' vast aan versterking EU; Premier Jean-Luc Dehaene over het Verdrag van Amsterdam

Morgen ondertekenen de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie in het Paleis op de Dam het Verdrag van Amsterdam. De Belgische premier Jean-Luc Dehaene toonde zich tijdens de besprekingen in juni zeer eigenzinnig. “Halsstarrig”, zoals hij het achteraf noemt.

BRUSSEL, 1 OKT. Overtuigd van zijn gelijk, dat hij in Amsterdam niet kreeg, blijft de Belgische premier Jean-Luc Dehaene doorvechten. In Amsterdam werd besloten tot uitstel van institutionele hervormingen binnen de Europese Unie, hoewel die tijdens de Intergouvernementele Conferentie die aan de top van Amsterdam vooraf ging golden als een van de belangrijkste doelen. Zonder hervorming van de instellingen zou de EU niet voorbereid zijn op uitbreiding met lidstaten in Midden- en Oost-Europa. Maar in het Verdrag van Amsterdam is daarvan weinig terug te vinden.

“Iedereen in Amsterdam was zich ervan bewust de Europese instellingen vroeg of laten moeten worden aangepast. Maar het water was nog te koud om zich erin te gooien. De sfeer om compromissen te sluiten was er in Amsterdam niet”, zegt de Belgische premier in zijn Brusselse werkkamer, die hij op een temperatuur houdt als in een vrieskamer. Hij zit daar in hemdsmouwen, omdat hij tijdens gesprekken meestal flink verhit raakt. Zijn medewerkers betreden de ruimte dikwijls met een sjaal om de hals.

Dehaene is de initiatiefnemer van een mede door Frankrijk en Italië ondertekende verklaring die aan het Verdrag van Amsterdam is toegevoegd. Volgens dit document moeten de Europese instellingen worden versterkt voordat nieuwe lidstaten tot de EU toetreden. Daarbij gaat het om uiterst gevoelige zaken als de samenstelling van de Europese Commissie (behoudt elk lidstaat onder alle omstandigheden een eigen commissaris?) en om het stemgewicht van de individuele lidstaten in de besluitvorming. Bovendien is het volgens de verklaring noodzakelijk dat binnen de EU meer besluiten worden genomen bij gekwalificeerde meerderheid en waarvoor dus niet langer consensus is vereist.

In Amsterdam is besloten dat op het ogenblik dat de EU wordt uitgebreid, de vijf grote lidstaten één van hun twee commissarissen inleveren. Maar dan moet wel tegelijkertijd besloten worden hoeveel extra stemgewicht ze krijgen. Bovendien is in een protocol vastgelegd dat de hele zaak opnieuw moet worden bekeken op het moment dat de EU meer dan twintig lidstaten krijgt.

“ Het institutionele is in Amsterdam wat in het dak blijven steken”, vindt Dehaene. “De Belgische regering heeft altijd gezegd bereid te zijn over stemmenweging te praten, op voorwaarde dat dit gepaard zou gaan met een radicale uitbreiding van het aantal besluiten dat met een gekwalificeerde meerderheid genomen kan worden. Wij hebben met de Belgisch-Frans-Italiaanse verklaring bij het Verdrag van Amsterdam willen benadrukken dat dit voor ons een kernpunt is”.

“Ik ben me ervan bewust dat de verklaring hierover bij het Verdrag van Amsterdam juridisch alleen de waarde heeft van een statement, maar bij onderhandelingen kan men niet zeggen dat wij niet hebben laten weten dat dit voor ons deel uitmaakt van het pakket.”

In het protocol bij het Verdrag van Amsterdam waarin is vastgelegd dat over institutionele hervormingen in de toekomst moet worden onderhandeld, wordt over die meerderheidsbesluitvorming niet gesproken.

“Dat is inderdaad zo. De meerderheid van de landen heeft alleen een verbinding gelegd tussen stemmenweging en de samenstelling van de Commissie. Ik ben in Amsterdam halstarrig de relatie met de stemming met gekwalificeerde meerderheid blijven herhalen.”

Is de Belgisch-Frans-Italiaanse verklaring niet vooral bedoeld voor de binnenlandse politiek, om ratificatie van het Verdrag van Amsterdam door het parlement te vereenvoudigen?

“Voor ons parlement is het inderdaad een niet onbelangrijk teken. Maar de verklaring sluit ook zeer nauw aan bij de opvattingen van de Europese Commissie en het Europees Parlement dat bij het Verdrag van Amsterdam alleen maar een adviesbevoegdheid had, maar dat bij de goedkeuring van de uitbreiding van de EU een beslissende stem heeft. Ik denk dat het niet onbelangrijk is om een aantal krachten te bundelen. Wij zeggen niet dat wij de uitbreiding zullen tegenhouden als wij onze zin niet krijgen. Maar we zullen er wel voor vechten dat die uitbreiding voorafgegaan wordt door een zo sterk mogelijke uitbreiding van de besluitvorming.”

Was het geen strategische fout om de kwestie van de institutionele hervorming in Amsterdam aan de orde te stellen?

“Ja en nee. Men heeft de problematiek van de instellingen gekoppeld aan een datum voor verdragsherziening die om een heel andere reden dan de uitbreiding van de EU was vastgelegd in het Verdrag van Maastricht. Je kunt het moeilijk een strategische fout vinden dat men zich gehouden heeft aan de datum die in het verdrag voorzien was.”

Met welk gevoel verliet u in juni Amsterdam?

“Amsterdam was zeer goed voor de Economische en Monetaire Unie, goed voor de verdere integratie van de huidige 15 lidstaten van de EU - al lag onze ambitie hoger - en onvoldoende wat betreft de institutionele hervormingen. Elke stap vooruit bij de Europese integratie, ook al is die kleiner dan wij gewenst hadden, is een positief moment. De ondertekening van een verdrag van deze orde is altijd iets feestelijks.”

Binnen de Benelux zijn over Europa voortdurend verschillen van mening. België ergerde zich bijzonder aan een Nederlands voorstel over de herweging van de stemmen, omdat Nederland zich daarbij meer stemmen had toebedeeld dan uw land zou krijgen. Vervolgens botste u met premier Kok tijdens de top van Amsterdam. Nu weer is Luxemburg verontwaardigd over de Nederlandse opstelling bij de discussie over de toekomstige financiering van de EU.

“Ik heb een enigzins andere waarneming. De Nederlandse voorstellen over de herweging van stemmen beschouw ik als een incident de parcours. Verder was het normaal dat in Amsterdam Nederland en Luxemburg een positie innamen om allereerst een akkoord mogelijk te maken. Nederland was voorzitter van de EU en Luxemburg was de volgende voorzitter, die de zaak had moeten overnemen als de onderhandelingen in Amsterdam niet waren afgerond. Daarom was het niet abnormaal dat België een aantal Benelux standpunten zwaarder laat wegen dan de andere landen.”

“Maar bij de onderhandelingen over uitbreiding van de besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid heb ik vastgesteld dat Kok zich maar één keer echt razend gemaakt heeft. Dat was toen men van de voorstellen van het voorzitterschap zoveel afknabbelde dat er niets meer overbleef. Kok was zich zeer goed bewust van het belang van de uitbreiding van de meerderheidsbesluitvorming. Daar was geen meningsverschil. Maar Nederland zat als voorzitter met de taak om tot een akkoord te komen. Kok heeft een deel van de uitbreiding van de meerderheidsbesluitvorming gered, ook al blijf ik zeggen dat die uitbreiding nog veel groter moet worden. Van een meningsverschil met Luxemburg ben ik niet voldoende op de hoogte.”

De Duitse bondskanselier Kohl heeft in Amsterdam veel meerderheidsbesluitvorming tegengehouden.

“Voor het eerst in de vijf jaar dat ik Europese tops meemaak, heb ik zo nadrukkelijk een druk en invloed van de Duitse deelstaten gezien op de Duitse positie. De vraag is of dit verklaard moet worden door de huidige politieke situatie met een andere politieke meerderheid bij de deelstaten dan op federaal niveau. Ik kan nu niet beoordelen of dit vooral verklaard moet worden door tijdelijke omstandigheden of dat het om een structurele zaak gaat.”

In het Verdrag van Amsterdam is een hoofdstuk over werkgelegenheid opgenomen. Bovendien is besloten tot een top van de Europese regeringsleiders over werkgelegenheid in november. Is dat meer dan een kwestie van woorden?

“Ik vind het van wezenlijk belang dat als doelstelling van de EU ook werkgelegenheid wordt genoemd. Maar een verdrag kan geen werk scheppen. Die top over werkgelegenheid is een andere zaak. Ik was daar net als anderen geen voorstander van toen dit idee in Amsterdam op tafel kwam. Maar zoals gewoonlijk kun je op zo'n gedachte nadat die naar buiten is gebracht niet meer terug komen en zit je ermee. Dan moet je proberen er het beste van te maken.”

“Ik zag het gevaar dat men met zo'n top overtrokken verwachtingen zou kunnen wekken, met de onvermijdelijke desillusie als vervolg. We proberen in samenwerking er nu het beste van te maken, waarbij ik steeds zeg dat we niet de illussie moeten scheppen dat die top het werkgelegenheidsprobleem in Europa gaat oplossen. Maar laten we er ook het beste van maken en zorgen dat het een impuls geeft die nadeint en blijvende gevolgen heeft.”