'Amsterdam' markeert het einde van Nederlandse Europa-missie

Hechtte het paarse kabinet aanvankelijk sterk aan federale waarden en supranationale beginselen, tegenwoordig domineren volgens A.G. Harryvan en J. van der Harst pragmatisme en gematigdheid het denken over Europa.

In Amsterdam wordt morgen het akkoord getekend dat de regeringsleiders en staatshoofden van de EU-landen in juni hebben bereikt. Hoe ambitieus is Nederland nog als het gaat om Europa? De laconieke wijze waarop het kabinet-Kok heeft kennisgenomen van de uitkomsten van 'Amsterdam' wijst op een trendbreuk in het nationale Europa-beleid. Van de EMU zullen vermoedelijk nieuwe stimulansen uitgaan, met name in de richting van grotere Europese zeggenschap over de nationale begrotings- en belastingpolitiek. Maar de Nederlandse dadendrang ten aanzien van Europa is bescheiden en vooral op details gericht. Een visie op de toekomst van de Europese integratie ontbreekt en dat lijkt weinigen te deren. Een enkele federalistische reflex van minister Van Mierlo daargelaten, is voor Den Haag Europa wel zo ongeveer af.

Van begin af aan was één ding duidelijk: voor Paars was het vasthouden aan oude beleidstradities allerminst vanzelfsprekend. Een aantal constanten die het Europa-beleid tijdens de Koude Oorlog hadden gekarakteriseerd, werden losgelaten, of tenminste in twijfel getrokken. Zo werden korte metten gemaakt met het aloude verzet tegen een Frans-Duitse leidersrol binnen de Europese Unie. Nederland zou voortaan 'actief en constructief moeten inspelen' op de samenwerking tussen Bonn en Parijs en zelfs de Frans-Duitse motor van 'een paar extra cylinders' moeten voorzien. Aldus de Hoofdpunten van het Regeringsbeleid in het najaar van 1995.

Gaandeweg is wel wat veranderd. Stond het eerste jaar van Paars in het teken van federale waarden en supranationale beginselen, in de eropvolgende periode domineerden juist pragmatisme, gematigdheid en zakelijkheid het beleidsdenken.

De factoren die achter deze koerswijziging zaten, hadden voor een deel een persoonlijk karakter. Gedurende het eerste levensjaar van het kabinet werd het Europa-beleid in sterke mate bepaald door de inbreng van de minister van Buitenlandse Zaken. Van Mierlo had bij zijn aantreden in 1994 uitgesproken ideeën omtrent de - bovennationale - richting die de Europese Unie in zijn visie zou moeten inslaan, met name op de 'nieuwe' terreinen van buitenlands en veiligheidsbeleid en op het gebied van binnenlandse en justitiële zaken. De notities die de minister kort na zijn aantreden het licht deed zien, weerspiegelden een opvallend optimisme over een federale toekomst van Europa.

Van dit optimisme is na 1995 niet veel overgebleven. Dit is gedeeltelijk toe te schrijven aan de confrontatie met de 'integratie-scepsis' in de overige EU-lidstaten en met - in eigen land - de kritische bemoeienis van de VVD. Daarnaast speelde het veranderde denken over Europa in de boezem van het kabinet een rol, met name bij zijn voorzitter, premier Kok. Naarmate het Nederlandse EU-voorzitterschap naderde, heeft de premier zich nadrukkelijker gemengd in de vaststelling en tenuitvoerlegging van het Europa-beleid.

Dit proces was voor een deel een erfenis van 'Zwarte Maandag', toen bleek dat versnippering van taken tussen verschillende bewindslieden contra-productief werkte. Maar bovenal was het de vrucht van Koks overtuiging dat Nederland tijdens het voorzitterschap alleen hoog moest inzetten op terreinen waar het Nederlandse belang het meest in het geding was. Dit belang werd en wordt vooral gerepresenteerd in de - communautaire - eerste pijler van het EU-verdrag, inclusief de door Nederland bevochten oprichting van de EMU, onder strikte inachtneming van de 'Maastrichtse' convergentie-criteria. Voor Kok en de Nederlandse regering was van groot belang dat de EMU en het eraan verbonden stabiliteitspact ongeschonden de derde (implementatie-)fase zouden bereiken.

De grote opluchting aan de vooravond van de Top van Amsterdam, toen onder leiding van minister Zalm van Financiën het stabiliteitspact gered werd tegen de Franse oppositie in, was illustratief. De door Van Mierlo gewenste voortgang in de tweede en derde pijler was, naar zou blijken, ondergeschikt geraakt aan de voorkeur van zijn collega's in het kabinet (inclusief de staatssecretaris voor Europese Zaken Patijn) voor de vervolmaking van de interne markt.

Het beeld dat zo is ontstaan is dat Nederland niet alleen een tevreden, maar ook een verzadigde natie is. De belangrijkste doelen van het naoorlogse Europa-beleid zijn bereikt, zeker wanneer de EMU - en de voortekenen daartoe zijn gunstig - daadwerkelijk tot stand komt. Wat nu nog rest is meer een kwestie van fijnafstelling (bijvoorbeeld ten aanzien van het vrije verkeer van personen) dan dat er nieuwe communautariserings-initiatieven moeten worden ontwikkeld.

Hieraan gekoppeld is de afnemende behoefte om via bovennationale regelgeving beleid tot stand te brengen. Paars toont zich minder dan voorgaande kabinetten afkerig van intergouvernementele oplossingen voor Europese vraagstukken. Ook het recente pleidooi van minister Zalm voor een verlaging van de netto-afdrachten past in dit 'tot-hier-en-niet-verder-kader'.

Het gebrek aan politieke overeenstemming tussen de lidstaten gaf en geeft weinig hoop voor de tweede en derde pijler. “Een economisch Europa met een interne markt en een EMU liggen in het verschiet, maar vooruitgang in de richting van een Politieke Unie lijkt steeds meer illusoir”, schreef Europarlementariër L.J. Brinkhorst onlangs. Regering noch parlement toonden zich hierover ontgoocheld, zo bleek tijdens de evaluatie van de Top van Amsterdam.

Deze laconieke houding weerspiegelt de herwonnen betekenis van het Atlantisch bondgenootschap. Zolang de Amerikanen binnen de NAVO betrokken willen blijven bij de Europese veiligheid en defensie, zal een versterking van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid en de West-Europese Unie voor Nederland geen prioriteit hebben. Mede hierom heeft Van Mierlo's aanvankelijke pleidooi voor het aanschurken tegen de Frans-Duitse as zo weinig bijval gekregen.

Uit dit alles blijkt dat de beperking van ambities tijdens en na het Nederlandse voorzitterschap van 1997 eerder voortkomt uit een 'niet willen' dan een 'niet kunnen'. Nu het proces van handels- en monetaire integratie zijn finale stadium bereikt heeft, is voor Nederland het Europese 'gebouw' zo goed als af. Dat dat gebouw niet volmaakt is, is niet erg. Prof. Geelhoed, Koks belangrijkste adviseur op Europees terrein, bepleit zelfs toenemende beleidsconcurrentie op de economische en fiscale terreinen die buiten het bereik van de EMU blijven. Het aloude ijveren voor harmonisering is op zijn grenzen gestuit.

Het draagvlak voor politieke integratie en federalistische ideeën blijkt beduidend kleiner te zijn geworden, in Den Haag zowel als daarbuiten. In deze hervonden terughoudende opstelling ten aanzien van bovennationale staatsvorming sluit Paars aan op een Europese trend.