Voor wie was het 't sneust?

Van een van onze vrienden kreeg ik het volgende verhaal te horen. Een wandeling op zondagmiddag langs een Gelderse bosrand. Een hij. En een zij. En hun twee kleine kinderen, die in de loop van de middag beginnen te dreinen en gedragen moeten worden... Er worden neuzen gesnoten, er wordt langs de kant van de weg gezeten tot de moeheid van de kinderen weer een beetje over is en hij, onze verteller, stelt voor maar vooruit te gaan en de auto alvast op te halen.

Hij zet de pas er in, het is nog een flinke wandeling, aan het eind waarvan hij, aangekomen op de plaats waar de auto moet staan - geen auto ziet. En hij herkent die plaats ook in het geheel niet. Want waar je vroeger een mooi, kronkelend zandweggetje kon volgen, korenbloemen plukte uit het graanveld en de glooiende landouwen kon overzien, lopen nu alleen maar rechte, betonnen ruilverkavelingswegen. Hij ziet slechts rechthoekige percelen maïs, die allemaal op elkaar lijken en meer dan manshoog zijn in deze volle, rijpe septembermaand; hij kan er niet overheen kijken. Het is een prachtige doolhof waar hij tamelijk radeloos in rondloopt. Ten slotte, omdat de tijd dringt, begint hij te hollen en hij holt waarschijnlijk steeds verder weg van de plaats waar z'n auto staat, want de autoweg waar hij op uitkomt kent hij ook al niet...

Welke kant op? De ene of de andere kant? Hij loopt langs de weg, steekt zijn duim op naar het voorbijgaande verkeer, maar geen auto die stopt. Hij loopt voort, een paria op de vluchtstrook.

Hij heeft geluk: een bushalte in de verte. Aan de overzijde. Met achter glas de tijden en hij heeft opnieuw onwaarschijnlijk geluk: over vijf minuten zal er een bus komen en die komt! Hij stapt in, eigenlijk alleen om te vragen waar hij is en hij wordt naar Groenlo vervoerd. Dezelfde weg die hij gelopen heeft, helemaal terug en dan verder. Daar, bij een benzinestation, kan hij een taxi bellen. Deze taxi neemt hem tien minuten later terug naar... Waar moet hij zijn? Hij heeft de chauffeur uitgelegd dat hij terug naar vrouw en kinderen moet, terug naar de picknicktafel, naar de letter P, gesitueerd halverwege Boekelo. Er zijn in deze schilderachtige streek vele P's, maar een reconstructie van de heenweg brengt het aantal terug tot misschien wel de helft. Zo'n taxichauffeur kent per slot elke weg. En inderdaad, na ongeveer een kwartier is aan deze angstige geschiedenis een eind gekomen.

Hij vindt aan de houten tafel, naast de auto, zijn vrouw en kinderen terug, alle drie in tranen. Maar hij is weer bij hen en de tranen kunnen worden gedroogd. Het herenigde gezin rijdt lachend terug naar het hotel.

Ik vertel deze geschiedenis 's avonds aan mijn vrouw, met de aantekening dat ik 't zo goed kon navoelen: de angst dat je man - weet je veel - een hartaanval, of misschien wel ergens een maïsveld in gesleept... Want ze waren nog weer teruggelopen en hadden nog gezocht; ze had nog gekeken of er sporen... of er maïsstengels gebroken waren.

Mijn vrouw vond dat een beetje onzin. Nee, ze had veel meer met hém te doen - in termen van verantwoordelijkheid. Hij had de belofte tegenover z'n kinderen niet kunnen nakomen. Dat was reëel. En dus veel erger, vond ze. Veel erger dan een gefantaseerd ongeluk.

Hier botsten, zag ik - en niet voor het eerst - twee mentaliteiten. Ik kon vroeger, als m'n vrouw niet met de afgesproken trein kwam, mij de ergste dingen voorstellen. Zodanig, dat ik als commentaar kreeg: je moet je geen dingen in je hoofd halen die onwaarschijnlijk zijn. Ja maar, zeg ik - ook nu weer - niets weten is erger dan weten wat er mis is. Want in dat geval kun je er wat aan doen. Zij wist niet wat ze moest doen. Hij wel. Nee - luidde het tegenargument - zij wist waar ze was. Zij kon de arm om haar kinderen slaan. Hij niet. Hij holde langs de maïs en faalde...