Strijdorkest de Volharding viert 25-jarig jubileum

Concert: Orkest de Volharding o.l.v. Jurjen Hempel. Gehoord: 29/9 Theater Carré Amsterdam.

Een orkest van louter generaals, met componerende orkestleden, zo typeerde Charles Burney in de 18de eeuw het Mannheimse orkest dat de basis legde voor de Weense Klassieken. Ook het gisteravond in Carré jubilerende Orkest de Volharding had in 1972 van die componerende generaals: Louis Andriessen, Willem Breuker, Theo Loevendie en Willem van Manen. En zoals Burney het stelde: 'Een armee eeuwen bekwaam om het plan voor een slag op te stellen als daarin te vechten', was het strijdorkest de Volharding ook uitstekend zelf in staat om composities improviserend uit te werken. Van Manen is er nog steeds en hem werden gisteravond door minister Pronk de versierselen van Ridder in de Orde van Oranje Nassau opgespeld, waarmee tevens het gehele ensemble werd geëerd. Pronk refereerde aan Vietnam, Chili en Portugal, de belangrijkste strijdhaarden in die dagen: “De Volharding voegde in klank iets toe waardoor je wel gedwongen werd het woord zuiver te houden”.

Ik kreeg echter sterk de indruk dat men thans het verleden als een 'zware tijd van toen' wenst te beschouwen, met de Volharding als een knipogend accent, aldus Andrée van Es, een van de vele spreeksters. Zo onderging ik de verschijning van de Nederlandse maagd in rood-wit-blauw gehuld en al helemaal de première van Cornelis de Bondts De Post, dat zich ontpopte als niets anders dan een bewerking van Schuberts gelijknamig lied, visueel begeleid door de majorettenvereniging The Magic Stars.

Met het visuele aspect op deze lange avond was niets mis (veel projectie en dans). En over post ging ook de tweede première: Overnight Mail van Michael Torke. Het eerste deel, snoeihard, kan boeien, daarna zakt het werk wat in en had men het Leger des Heils voor het visuele aspect kunnen vragen. IJzersterk blijft Andriessens De Volharding (1972) en recht overeind blijft Van Manens Mikroskoop (1985-'88), waarbij een projectie van een speelse tekst, waarin onder meer wordt uitgelegd waarom men geen Mozart speelt.

Vader Leopold Mozart berichtte zijn zoon dat de tweede Mannheimse generatie geheel in cliché's was vervallen, de betovering was verdwenen. Hetzelfde gevaar geldt de Volharding, dat terecht andere wegen zocht. Zo ging men het minder zoeken in bewerkingen dan in opdrachten. De Mannheimse injectie ging gepaard met Boheemse en later Kroatische (Haydn!) inbreng. De internationale folklore in onze tijd is natuurlijk pop en jazz: third stream-muziek is wat de Volharding voorstond. De plompe, ruwe speelwijze van de Mannheimers (in het chique Noord-Duitsland vond men het maar een belachelijk geraas) maakte plaats voor meer raffinement en elegantie. Is dat dan toch ook uiteindelijk het voorland van de Volharding?