Praten geen zin meer

De Turkse mijnheer S. is autoreparateur. Hij heeft gouden handen. Geef hem twee scooters en hij maakt er een bestelbus van. Vroeger repareerde hij af en toe mijn lelijke eend. Steeds lag het sleuteltje de volgende morgen attent in de brievenbus. Het ding liep weer net zo gesmeerd als bij aankoop.

Naarmate de eend ouder werd, kwam mijnheer S. vaker langs. Op een avond nodigde ik hem uit voor een kop koffie. Hij vond dat er veel boeken in de kamer stonden, een vrouw moest niet zoveel lezen. Tijdens het gesprek aaide hij alsmaar over zijn rechterhand. En dat ging gepaard met een pijnlijke grimas.

Wat was er toch gebeurd, vroeg ik hem. Niks bijzonders, zei hij. Zijn zoon had op school straf gekregen omdat hij zijn handen niet van een meisje kon afhouden. Dat was al eens eerder voorgevallen. En daarom had hij hem als laatste waarschuwing nu maar eens afgetuigd. “Hij moet leren dat dat niet mag.” Ik vond het beter om daarna geen beroep meer te doen op mijnheer S.

Dinsdag in tramlijn 5, van het Museumplein naar de Dam in Amsterdam, dacht ik terug aan zijn geblesseerde hand. Zoals zo vaak stapte ook die morgen, tussen tien en elf, een zwerm mediterrane jongeheren op de tram. Meestal inventariseren ze eerst de buitenlandse reizigers. Met een kleine hoofdwenk kiezen ze gezamenlijk positie, bij voorkeur in de buurt van een groepje reizigers waartussen zich een vrouw met halfopen rugtas ophoudt, een oudere heer met gevulde broekzak of een jonge moeder die haar handen vol heeft aan de kinderwagen.

De blik wordt gefixeerd op heuphoogte. Niet al te lang, want anders gaan medereizigers ook hun blik fixeren - op hen, dus. De leren jacks, losjes om de schouders gehangen, fungeren als dekmantel. Die werpen ze letterlijk over hun prooien heen. En daarna is het sport om met een gevulde binnenzak quasi ontspannen uit te stappen om ineens rechtsomkeerd te maken naar de volgende tram, in tegenovergestelde richting.

Gisteren was een ouder, Amerikaans echtpaar aan de beurt. De vrouw had haar stoel afgestaan aan haar vermoeide man. Ze aaide hem door zijn witte haren. Halverwege de Leidsestraat stapten ze uit. Daar lag de Herengracht al, in een voorzichtig zonnetje. Wisten zij veel dat bij het duwen op het trapje de tas van mevrouw was geledigd. Hand-in-hand slenterde het echtpaar de Herengracht op.

Het was allemaal te voorzien geweest, en toch had ik er weer niets aan gedaan. 'Ja maar, ze waren met z'n vieren. Ja maar, misschien hadden ze wel messen.' Alsmaar dat laffe 'ja maar' in het hoofd. “Schrijf een brief aan het vervoersbedrijf”, zei mijn gastheer op de Dam, “dan ben je van dat gevoel af.”

Anderhalf uur later bood tramlijn 2, terug naar het Museumplein, een herkansing. Er stapte waarachtig een nieuwe zwerm van datzelfde type heren in; alweer die blik, alweer die wenk, alweer die jacks. Dit keer 'omhelsden' ze een Japanse. Of ze haar tas met ritssluiting toch vooral niet op de rug wilde dragen, adviseerde een andere reizigster. Ze volgde de raad op en de heren schuifelden verder.

Ik voelde me niet minder laf, niet minder boos op mezelf. “Praten geen zin meer”, zei mijnheer S. destijds over zijn zoon en over zijn hand. Gisteren begreep ik hem even veel beter.