Oppassende buren

Beknopte geschiedenis van het woord bewariër: vondst van Max Tailleur, een van zijn meest sardonische bijdragen (uit vele) aan de Nederlandse taalschat. Nieuwe uitdrukking in het spraakgebruik van de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog. Voordien exclusief invectief van de linkse illegale pers (Het Parool, De Waarheid, Vrij Nederland).

Schamper en op gedempte toon uitgesproken. Combinatie van weerbare ironie en gewond cynisme. Lange tijd in onbruik geraakt ten gevolge van Vooruitgang en Wederopbouw ('zand erover'). Sinds televisie-uitzendingen van dr. L. de Jong in jaren zestig tweede leven begonnen. Door Van Dale (12e druk, 1995) weer aan boord genomen nadat vorige editie (11e druk, 1984) elf jaar verlegen had gezwegen. Met de tijdsaanduiding (WOII) nu weer onder de mensen, onbewimpeld gerehabiliteerd: “Niet-jood aan wie joden vóór hun deportatie goederen in bewaring gaven (die ze later niet meer terugkregen)”.

Het woord en het sociale gedrag dat ermee omschreven wordt hebben samen een merkwaardige levensloop achter de rug. De ironische uitdrukking en de oorlogsversie van nabuurschap zijn in vijftig jaar geëvolueerd van let-maar-niet-op-ons-anekdotes tot voorwerp van regeringsonderzoek. Het onrecht dat duizenden teruggekeerde joden na de oorlog ondervonden was soms zo navrant, dat joodse humor misschien ook wel het enige verzachtende middel was.

Over de moeizame strijd die de gedepossedeerde Nederlanders na de bevrijding hebben gevoerd, heb ik op deze plaats meer dan eens geschreven, maar nog niet vaak genoeg om het als afgehandeld te kunnen beschouwen. Daarvoor zijn teveel 'recente' (vijftig jaar oude) onafgedane dossiers aan het licht gekomen die nader onderzoek verdienen.

De niet-joden die later de teruggekeerde joden hun goederen en tegoeden niet teruggaven, gedeeltelijk dan wel met opzettelijke vertraging teruggaven of zich met 'juridische' redeneringen toeëigenden, waren niet alleen de buren. Het waren evengoed de banken, de verzekeringsmaatschappijen en de gemeenten. De commissie-Van Kemenade en de bijzondere rapporteur van deze commissie, mr. W. Scholten, zoeken bij de financiële instellingen nu naar nog 'openstaande' tegoeden van gedepossedeerde joden (het zullen straks niet de enige eufemismen in hun rapporten zijn), maar nader onderzoek naar het gedrag van de gemeenten in de jaren 1945-1950 tegenover de in hun bezit gekrenkte joden lijkt zeker niet overbodig.

Ook uit de gemeentelijke sferen zijn intussen nieuwe gevallen van oud onrecht tevoorschijn gekomen die in een aparte categorie van historisch onderzoek thuishoren: gemeentelijke roof. Naar aanleiding van mijn vorige bijdrage over het rechtsherstel in Amsterdam heeft een lezer mij ondermeer het volgende geschreven over de ervaringen van zijn familie, die na de oorlog haar huis gesloopt terugvond. “In Amsterdam hadden de Amsterdammers de huizen van de joodse bewoners gesloopt. Het ging hun om het hout, waarvan ze tijdens de hongerwinter de kachel stookten. De bewoners waren er immers toch niet (meer). Door het verwijderen van het hout raakten de huizen in verval en stortten in. Amsterdam moest deze gevaarlijke bouwwerken na de oorlog slopen dan wel herbouwen”. In de gevallen die zich leenden voor herstel kregen de eigenaars een gemeentelijk bevel ('aanschrijving') om veiligheidsvoorzieningen te treffen die de omgeving afdoende tegen gevaar zouden beschermen. Ook de moeder van mijn lezer en haar zuster (de erfgenamen van het Amsterdamse pand) kregen zo'n aanschrijving. Ze werden daardoor op kosten gejaagd die ze niet konden betalen. De ene aanmaning volgde na de andere. Niet alleen van de gemeente Amsterdam, die eiste dat de dames hun verplichtingen zouden nakomen, maar ook van de belastingdienst, die steeds hogere belastingaanslagen stuurde. “Ten einde raad”, zo eindigt mijn bron zijn verhaal met nadrukkelijke ironie, “heeft de gemeente Amsterdam de erfgenamen van de panden onteigend, opdat zij zelf verder haar maatregelen voor haar eigen bestwil heeft kunnen nemen”. Op een onteigeninkje meer of minder werd in 1945 niet gekeken. Aangezien de hier bedoelde erfgenamen niet de enigen zijn geweest wier gesloopte huizen zijn onteigend, staat de gemeente Amsterdam in deze tweede ronde van de operatie-rechtsherstel waarschijnlijk nog een aantal forse vorderingen te wachten.

In Groot-Brittannië is het onderzoek naar het naoorlogse rechtsherstel nu ook een tweede ronde ingegaan. Daar heeft de Holocaust Educational Trust een aantal overheidsdossiers opgespoord, waaruit de Britse Labour-regering van 1945 als een onrechtvaardige vrek tevoorschijn komt. Uit dat onderzoek van de Trust blijkt dat de regering-Attlee banktegoeden van vervolgde joden, die na de oorlog naar Engeland waren geëmigreerd, jarenlang blokkeerde om voorrang te geven aan Britse bedrijven die oorlogsschade hadden geleden. Die bedrijven werden schadeloos gesteld uit de geblokkeerde joodse tegoeden. Attlee was de schutspatroon van de kleine man, maar hij was ook een schipperaar - net zo een als onze Piet Lieftinck, die het erfrecht wilde herzien om de verzekeringsmaatschappijen tegen de erfgenamen van de 'joodse polissen' te beschermen.

P.S. In mijn vorige bijdrage over het rechtsherstel op de opiniepagina van 25 augustus heb ik verzuimd de brochure te vermelden, waaraan ik de informatie had ontleend over het beleid van de Amsterdamse effectenbeurs tijdens de oorlog. De brochure is getiteld 'Goud fout. Het criminele verleden van beursvoorzitter Carel F. Overhoff in de doofpot van historici' en is geschreven door de Amsterdamse jurist J.P. Meihuizen.