Mantel

Wie van ons tweeën op de onzalige gedachte was gekomen weet ik niet meer, wel dat Annie en ik aan het ten uitvoer brengen ervan allebei schuld hadden. Met de meedogenloze opmerkingsgave van twaalfjarigen (we moeten in de zesde klas hebben gezeten) was het ons opgevallen dat onze jongste tante, die de dertig reeds lang gepasseerd was en met haar oudere zuster nog bij haar moeder woonde, een zekere verandering onderging.

Zo liet ze haar lange zwarte haar, het enige mooie dat ze had, afknippen, waardoor ze een nog gewoner gezicht kreeg, en zat ze 's zondags, wanneer de hele familie zich bij grootmoeder om de tafel verzamelde, zonder zich in de conversatie te mengen naar buiten te kijken. Hieruit maakten Annie en ik op dat tante Marie de geheime wens koesterde niet langer de bedstee met haar moeder te delen en schoon genoeg had van de kantine van de Amsterdamsche Bank aan de Coolsingel, waar ze sinds jaar en dag als koffiejuffrouw werkzaam was. En aangezien mijn grootmoeder, zolang ik mij kon heugen, iedere avond met haar twee dochters thee bij ons dronk, werden Annie en ik nog in onze vermoedens gesterkt toen mijn moeder tante Marie op gedempte toon begon te attenderen op de huwelijksadvertenties in het Rotterdamsch Nieuwsblad en haar aanspoorde 'desnoods' een vriendin te zoeken met wie ze 's zondags en op doordeweekse avonden kon uitgaan.

Omdat tante Marie kennelijk terugschrok voor de eerstgenoemde radicale stap, koos ze voor de tweede en raakte door bemiddeling van de kantinebeheerder bevriend met Hester - ongehuwd en van haar leeftijd, met korte rossige krulletjes en wat bolle ogen. Zij bleek samen te wonen met haar drie broers, voor wie ze het huishouden deed en die, behalve alledrie vrijgezel en tramconducteur, fervente liefhebbers van de Italiaanse opera waren. Dit had tot gevolg dat tante Marie, die nog nooit van haar leven een voet in de Rotterdamse schouwburg had gezet, regelmatig door hen naar het imposante gebouw in de Aert van Nesstraat werd meegenomen, waar zij vanaf het schellinkje de spectaculaire liefdesdrama's gadesloeg die, zoals zij ons de volgende dag nauwkeurig beschreef, er steevast mee eindigden dat de vrouwelijke hoofdpersonen door wurging, zelfmoord, vergiftiging of een dodelijke ziekte het leven lieten.

Daar zij echter zelf haar plaatsbewijs moest bekostigen en geen van de drie tramconducteurs aanstalten maakte tot enige toenadering, verflauwde haar belangstelling, zowel voor de vriendin als voor 'de Italianen', zodat ze 's zondags weer afwezig uit het raam zat te staren en de avonden als vanouds met haar moeder en zuster bij ons doorbracht.

Ik geloof dat het op een vrije woensdagmiddag was dat Annie en ik verveeld door de Wateringhestraat slenterden, toen we onze gewetenloze daad beraamden. Er hing een lage, broeierige lucht boven de stad, hetgeen wel tot onze landerigheid zal hebben bijgedragen en tot de wijze waarop we ons vrolijk maakten over onze trouwgrage tante, wier eens zo ingetogen bestaan gaandeweg onze nieuwsgierigheid opwekte nu ze een vrijer wilde hebben. Terwijl we giechelend haar geringe huwelijkskansen bespraken, kregen we de kostelijke ingeving die als een welkome afleiding vanzelf uit de hemel kwam vallen.

We zouden een brief opstellen waarin een verzonnen manspersoon - iemand van de bank natuurlijk - haar zou vragen met hem kennis te maken, waarbij we moesten laten doorschemeren dat hij al een tijdlang een oogje op haar had, maar te verlegen was om haar onder haar werk of op straat aan te spreken. Naarmate we op het plan voortborduurden, begonnen we er hoe langer hoe meer in te geloven, zodat we ons ten slotte opgewonden naar Annie's huis begaven, waar we de brief onder grote hilariteit op een aantal kladblaadjes uitwerkten.

Het probleem hoe de denkbeeldige bankemployé tante Marie's adres te weten kon zijn gekomen, losten we na enig overleg op door dit eenvoudig in het midden te laten, en toen we er zeker van waren niets te hebben vergeten, typte Annie de brief met één vinger op haar vaders Remington over en besloten we dat de beraamde ontmoeting de eerstvolgende zaterdag, wanneer tante Marie 's middags vrij had, om halfvier voor de ingang van het Hofpleinstation zou plaatsvinden. Vervolgens werd het geschrift van een onleesbare handtekening voorzien en vermeldden we op de achterzijde van de envelop de gefingeerde naam van de afzender (ik heb geen idee meer hoe we hem hebben genoemd) en het adres, waarvoor we gemakshalve de Wateringhestraat kozen. Tenslotte brachten we het epistel samenzweerderig naar de Zwartjanstraat en lieten het in de brievenbus bij grootmoeder glijden, waarna we hard de hoek van de Jacob Catsstraat om renden en tegen de gevel van Jamin de slappe lach kregen.

Het lachen zou ons echter snel vergaan toen we ons ruim voor het aangekondigde uur verdekt opstelden in het tramhuisje dat zich op een vluchtheuvel schuin tegenover het station en het halvemaanvormige terras van café-restaurant Loos in de bocht van het Hofplein bevond. De ergste hitte was voorbij maar het was nog stralend weer, en gehurkt, zodat we net boven de rand van het raam konden uitkijken, hielden we zowel de ingang van het station als de klok van het stadhuis in het oog, tot we tante Marie toch nog onverwachts ontdekten tussen de voetgangers aan de overkant.

Eigenlijk herkenden we haar niet eens meteen, doordat ze er anders uitzag en we bovendien te verbluft waren dat ze inderdaad was gekomen. Maar juist op het moment dat wij, overweldigd door ons succes, proestend wilden wegduiken, werden we ons opeens bewust van haar veranderde verschijning en keken elkaar geschrokken aan. Want tante Marie droeg niet de overjarige muisgrijze jas waarin we haar 's zomers altijd hadden gezien, maar een nieuwe, soepel vallende, lichtgroene mantel, enigszins getailleerd en, naar de laatste mode, even over de knie.

Plotseling beseften we wat we hadden aangericht en waren alle spanning en pret verdwenen. Verslagen en beschaamd staarden we vanuit het tramhuisje, dat we niet durfden te verlaten uit angst door haar te worden opgemerkt, naar de nietsvermoedende vrouw die van halfvier tot kwart over vier tussen het station en het terras van Loos heen en weer drentelde.

Na de consternatie van de familie over tante Marie's lichtzinnige aanschaf van een zomermantel aan het eind van het seizoen, en het onverklaarbare ontslag dat ze bij de bankkantine had genomen, duurde het nog vijf jaar voor Annie en ik althans gedeeltelijk van onze knagende schuldgevoelens werden verlost. Want in haar volgende betrekking leerde tante Marie iemand kennen - een weduwnaar en vader van twee kleine kinderen - met wie ze redelijk gelukkig is geworden. Ze trouwde in augustus en droeg de lichtgroene mantel, die er nog als nieuw uitzag en waarbij ze een hoed in dezelfde kleur had gekocht.