Hampson weer superieur

Recital: Thomas Hampson, Barbara Bonney en Wolfram Rieger. 29/9 Concertgebouw Amsterdam. Radio: 9/5/98, 14u Avro Radio 4.

Als de hoofdgasten op het eigen gala daalden ze gisteravond statig de lange trap van het Amsterdamse Concertgebouw af: bariton Thomas Hampson, sopraan Barbara Bonney aan zijn zijde, gevolgd door pianist Wolfram Rieger. Bonney was gekleed in lang zwart met een veelkleurige zijden stola. Hampson oogde als een rijzige aristocraat: op zijn rokkostuum met fluwelen kraag ontbrak de gouden horlogeketting niet.

Het podium was wat huiselijk: een roodpluchen bankje en dito clubfauteuil aan weerszijden van een tafeltje met waterkaraf. Daar kon de ene zanger in elegante houding plaatsnemen, als de ander zong in de bocht van de vleugel van Rieger, de weergaloze begeleider. Al ontbraken palm en perzisch tapijt, het was duidelijk dat dit openingsconcert van Hampsons serie 'Carte blanche' zou plaatsvinden in sferen van laat-romantiek, fin-de-siècle en art nouveau.

Het programma vermeldde meer dan dertig liederen van Mahler, Wolf, Strauss, Chausson, Delius, Fauré, Debussy, Berg, Zemlinsky, Webern, Alma Mahler en Schönberg. Ze waren met zorg gekozen, met jeugd, ochtend en lente als het thema. Ondanks een enkel luchthartig duet zou de sfeer al snel onvermijdelijk veranderen in zwaarmoedigheid, met avond en herfst als stervenssymboliek.

Mahlers Frühlingsmorgen klonk als eerste: 'Steh' auf, Langschläfer, steh auf!' In het vierde lied, Wolfs Frühling, heette het al: 'halb ist es Lust, halb ist es Klage'. Daarna kwamen de 'Abendschein', de 'Nebel', de 'Düsterheit', de 'larmes d'automne' en de 'tote Eiche'. Als laatste zong Hampson Der Einsame im Herbst uit Mahlers Das Lied von der Erde: 'Der Herbst in meinen Herzen währt zu lange.'

Zoals bij eerdere Amsterdamse optredens van Hampson - tijdens het Mahler Feest en een Schubert-recital - maakte de zanger ook nu weer maximale indruk. Met zijn stem - ideaal en egaal getimbreerd, met een fraaie laagte en een glanzende hoogte - kan hij alles wat hij wil, ook een lied als Der Einsame im Herbst vrijwel stilzetten, alsof er nooit meer een eind aan zal komen. Zijn présence en zijn voordracht zijn superieur.

Voorbeeldig waren de verdiepingen die hij aanbracht in zijn eerste lied: Mahlers Ging heut' Morgen übers Feld. Na het uitbundige 'Wie mir doch die Welt gefällt! Heia!' klonk eerst nog een lange zucht, gepaard gaande met een verzaligde blik. Toen kwam de sfeeromslag met 'Und da fing im Sonnenschein': zachter, langzamer, intenser. En verderop, bij 'Nun fängt auch mein Glück wohl an?!' zong hij nóg langzamer en zachter, met een expressie van verbazing en uiteindelijk vertwijfeling.

Barbara Bonney was in haar eerste liederen niet helemaal op dreef, maar zong later wel heel erg prachtig in repertoire van Delius, Debussy en Berg - de Sieben frühe Lieder. De kwaliteiten van pianist Wolfram Rieger - hier al eerder uitvoerig geprezen - bewezen zich in elk lied. Af en toe moet hij forte spelen, maar vrijwel altijd zoekt hij het in subtiele gradaties van pianissimo. Hij is ook de maestro van het naspel - aan het nauwelijks hoorbare slot van Alma Mahlers Die stille Stadt verstarde hij boven de toetsen, vergroeid met zijn piano.