Een huurleger als ontwikkelingshulp

In de loop van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) speelden huurlingen bij de strijd tegen de Spanjaarden regelmatig een doorslaggevende rol. Zonder hun betaalde inzet was ons land wellicht nog steeds een vazalstaat van Spanje. Deze geschiedenis roept - met de behandeling van de defensiebegroting in het vooruitzicht - een vraag op: is de tijd niet rijp voor een herwaardering van het verschijnsel huurleger?

Volgend jaar belopen de netto-uitgaven van de rijksoverheid en de sociale fondsen naar raming 316 miljard gulden. Daarvan is 13,6 miljard bestemd voor de nationale defensie, zo blijkt uit de Miljoenennota 1998. Dit document biedt meer dan alleen cijferopstellingen over uitgaven en ontvangsten van de rijksoverheid en de sociale fondsen. Ook doeltreffendheid en doelmatigheid van het overheidsoptreden krijgen aandacht. Overheidsingrijpen is doeltreffend, wanneer gestelde doelen worden gehaald. Het is doelmatig, wanneer dit tegen de laagst mogelijke kosten gebeurt.

Veel overheidsbemoeienis met de economie - de financiering van goederen, zoals dijken, de herverdeling van verdiende inkomens via belastingen en sociale zekerheid - wordt traditioneel verdedigd met het argument dat de markt hier faalt. Wanneer de overheid besluit een bepaalde taak uit te voeren, spreekt het evenwel niet vanzelf dat zij zelf als producent optreedt. De overheid kan de vuilnisophaal organiseren, maar de uitvoering uitbesteden aan particuliere afvalverwerkers. De bouw en exploitatie van sociale huurwoningen en de gezondheidszorg zijn bijvoorbeeld in handen van niet-winstbeogende instellingen. De overheid organiseert alleen de financiering via belastingen en sociale premies, stelt soms kwaliteitseisen en ziet toe op de kwaliteit van de geleverde diensten. Inschakeling van de markt bij de uitvoering van publieke taken komt de doelmatigheid ten goede. Verschillende aanbieders brengen offertes uit om voor uitvoering van een bepaalde overheidstaak in aanmerking te komen. De overheid stelt vast welke gegadigde de gewenste diensten tegen de laagste kosten kan leveren. De onderlinge concurrentie van ondernemingen die dingen naar overheidsopdrachten drukt de prijs.

Belastingbetalers zijn de lachende derden. Dit verklaart dat de minister van Verkeer en Waterstaat het monopolie van spoorwegen en busmaatschappijen probeert open te breken door nieuwe aanbieders toe te laten (Lovers Rail, busmaatschappij Vancom). Bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen tegen loonverlies door ziekte en arbeidsongeschiktheid is het de bedoeling dat de bestaande uitvoeringsinstellingen (rechtsopvolgers van de vroegere bedrijfsverenigingen) de strijd om klanten aangaan met particuliere verzekeraars.

Ondanks overweldigend bewijs dat uitbesteding aan onderling concurrerende aanbieders de kosten drukt en het dienstbetoon verbetert, verloopt dit proces in de praktijk uiterst moeizaam. Gevestigde aanbieders verzetten zich fel tegen aantasting van hun comfortabele monopoliepositie. De vakbonden sluiten zich bij die protesten aan, omdat hun leden in van de markt afgeschermde sectoren extra veel verdienen. De opstellers van de Miljoenennota wekken de indruk dat bij het streven naar uitbesteding heel wat successen zijn behaald. Zij stellen de zaken veel te mooi voor. Bovendien kiest het kabinet voor een te schroomvallige benadering. Zo zou de nationale defensie zich niet lenen voor uitbesteding. Het tegendeel is het geval. De productie van wapentuig en munitie, en de bouw van legerplaatsen geschieden al door het particuliere bedrijfsleven. Ook de landsverdediging zelf kan in belangrijke mate aan een huurleger worden overgelaten.

Twee gebruikelijke tegenargumenten zijn niet langer geldig. De ene tegenwerping luidt dat het leger in vredestijd bijdraagt aan integratie van de samenleving. Dit was altijd een tamelijk zwak argument, omdat reeds voor de afschaffing van de dienstplicht slechts eenderde van de jonge mannen, en dus eenzesde van alle jongeren, in werkelijke dienst werd opgeroepen. Nu de laatste lichtingen dienstplichtigen inmiddels zijn afgezwaaid en ons land is overgegaan op een beroepsleger, mist het integratieargument kracht.

Anderzijds bestaat het risico dat een huurleger aan het muiten slaat als eisen voor salarisverhoging niet worden ingewilligd, zonder dat voldoende tegenmacht kan worden gemobiliseerd. Of de ingehuurde generaals grijpen de macht. Dit argument geldt uitsluitend voor de verdediging van het eigen grondgebied. Na de ineenstorting van de dictaturen in Oost-Europa heeft het ministerie van Defensie zijn taken echter ijlings anders gedefinieerd. Ons land moet nu op verschillende plaatsen in de wereld voor politieagent kunnen spelen.

Het spreekt niet vanzelf dat die taken in den verre worden uitgevoerd door Nederlandse militairen. We kunnen daarvoor ook hulptroepen in andere landen recruteren. Die huurlingen zullen in Nederland nooit voet aan wal zetten, wat het risico van een staatsgreep uitsluit. Net zoals voetbalclubs moet Defensie in de Derde Wereld op jacht naar talent voor een te vormen vreemdelingenlegioen. Tegen het Nederlandse minimumloon valt daar een elitekorps te werven.

De gedeeltelijke overgang naar een huurleger geeft niet alleen meer 'bang for the buck', maar draagt tevens bij aan bestrijding van massale armoede en werkloosheid in een groot deel van de wereld. Het gaat in wezen om een vorm van ontwikkelingssamenwerking, die ten laste behoort te komen van de begroting van minister Pronk. Zij groeit automatisch mee met het nationale inkomen, door de dubieuze afspraak dat een vast percentage van het bruto binnenlands product voor ontwikkelingssamenwerking is bestemd. Het zo vastleggen van een groeiende middelenstroom voor een bepaald doel doorkruist een goede onderlinge afweging van begrotingsposten.

Langs een omweg hebben achtereenvolgende kabinetten de hierdoor ontstane scheefgroei deels weer rechtgetrokken. De afgelopen jaren is de pot van Pronk regelmatig geplunderd door collega-bewindslieden die geld tekort kwamen. Zo betaalt minister Ritzen het onderwijsvoorrangsbeleid voor allochtonen uit de vleespotten van collega Pronk, met als motief dat het hierbij eigenlijk om ontwikkelingshulp gaat. Deze lijn kan worden voortgezet. Door in de Derde Wereld een huurleger te werven voor uitvoering van taken in verre landen zijn belastingbetalers minder kwijt voor vredelievende missies in brandhaarden buiten de landsgrenzen, terwijl tegelijk het geld voor ontwikkelingssamenwerking doelmatiger wordt besteed.