Door Herman Kuiphof

Hoewel de grote zwijgers in de voetballerij ook menigmaal op hun falie krijgen ('als ze slecht spelen hoor je niemand in het veld'), staan de doorgewinterde praters aan nog fellere kritiek bloot - vooral van de tegenstanders. Zo schijnt de FC Groningen-speler Raymond Atteveld van Feyenoorder Giovanni van Bronckhorst te horen hebben gekregen dat hij nu eindelijk eens zijn waffel moest houden. Maar die opmerking vond de prater schitterend, want hij zag er het bewijs in dat de tegenstander uit diens evenwicht was gebracht.

Ik denk dat iedereen die gevoetbald heeft zich wel eens heeft geërgerd aan het onophoudelijk geklets van de tegenstander - trouwens ook wel van een medespeler die met geen mogelijkheid stil was te krijgen. Terwijl van Wim Jonk vermoedelijk nooit iemand gevonden heeft dat hij te veel gesproken woord debiteerde. Vermoedelijk heeft dit laatste ertoe bijgedragen dat de PSV'er nooit de dirigent is geworden die hij had kunnen zijn. Maar je hebt het leiderschap in je of je hebt het niet. Alleen moet Atteveld nu niet denken dat hij een pure chef in het orkest is. De grote mond wijd open zetten is toch iets anders dan werkelijk leiding geven.

In de jaren dertig was Puck van Heel de vanzelfsprekende aanvoerder van het Nederlands elftal, hoewel men hem in het veld niet al te vaak zijn zegje hoorde doen. Hij leidde met opeengeklemde lippen, maar gaf in het spel zijn visitekaartje af. Ideaal is ook dat niet, maar het werkte toentertijd wel, waarbij te bedenken valt dat een eerdere aanvoerder als Van der Meulen minder geschikt was, aangezien hij als doelman te ver van de gebeurtenissen verwijderd bleef. Ook Wim Anderiesen, de half-aanvallende spil, leek een betere keus dan de zwijgzame Van Heel. Maar het kan toch geen toeval zijn dat in de periode 1934-'37 waarin onze nationale ploeg buitengewoon succesvol was, Puck van Heel de aanvoerdersband droeg.

Wat de veelpraters betreft is het vaak een kwestie van temperament. Heel vroeger hadden wij een voortreffelijke lijnkeeper die nog het nationale zaterdagelftal heeft gehaald (Huib Vrijenhoek), die tegen zijn verdedigers zelden iets zei, tenzij het 'Los!' bij hoge voorzetten. Maar een van de backs was een zeer extraverte figuur die luidkeels iedereen in zijn buurt commandeerde, tot de bal toe.

De onvergetelijke Abe Lenstra had niet veel woorden nodig tijdens een wedstrijd. Hij verwachtte ze niet van medespelers en was er zelf ook niet gul mee. Ooit heeft men hem aanvoerder gemaakt, in de hoop dat hij zich nu ook qua vocabulaire meer zou doen gelden - maar dat is niet gebeurd. Abe kon daar weinig aan doen. Hij had die veelbespraaktheid niet in zich, wat ook weer niet betekende dat hij nooit op zijn praatstoel plaatsnam. Je kon over alles met hem redeneren, op voorwaarde dat hij er zin in had. En of dat zo zou zijn, wist je nooit van tevoren.

In het Feyenoord van de jaren zestig was Jan Klaassens een zwijger en Reinier Kreijermaat een prater. Beide genres hebben hun nut, maar te veel schaadt nog meer dan te weinig.