Zal ik later bij een van de schilferende huidcellen horen?

Afgelopen weekeinde lazen vijftig Nederlandse dichters in evenzovele Haagse huizen gedichten voor. “Wat is-ie lief”, fluisterde een poëzieliefhebster over de Belgische dichter Bernard Dewulf, die in een 18e-eeuwse huis zijn gedichten voordroeg.

DEN HAAG, 29 SEPT. Een oranje vlag geeft aan dat hier een dichter in huis gehaald is. Poëzieliefhebbers betreden het bordes van het mooie, zeventiende-eeuwse Van Balckeneynde Huis aan de Dunne Bierkade in Den Haag. De gastvrouw en gastheer staan al in de hal te wachten. In de blauwe zaal, die uitkijkt op een Franse tuin met appelbomen, zal de dichter spreken. Aan de muur hangen donkere schilderijen en oude prenten. Het geroezemoes van de wachtende gasten vult de ruimte.

Het bijzondere van het Haagse festival Dichter aan huis is dat men niet alleen poëzie kan beluisteren uit de mond van de dichter zelf, maar ook nog eens ongestraft vreemde huizen mag betreden. Dit weekeinde lazen vijftig dichters zes keer per dag voor in vijftig woonkamers, gisteren in het centrum van de stad. Het was de vierde maal dat dit tweejaarlijks festival gehouden werd.

De dichter die na loting in het Van Balckeneynde Huis moest voorlezen, leek in dit interieur niet helemaal op z'n plaats. De Vlaming Bernard Dewulf, slecht geschoren, ongekamde haren en een openstaand overhemd met opgerolde mouwen, was niet bepaald een pruikdragende poëet van de salons. Uit zijn debuut uit 1995, Waar de egel gaat, las hij een aantal gedichten over de demente bejaarden waarmee hij tijdens zijn vervangende dienstplicht geconfronteerd werd. Op deze plek van geconserveerde schoonheid las de dichter over het verval van de geest, dat hij niet traditioneel betreurde maar eerder leek te omarmen: “Het is goed dat het vergaat.”

Dewulf gaf vooraf uitleg over wat hij zou gaan lezen, alsof hij bang was verkeerd begrepen te worden. “Dit gedicht gaat over de zieligheid van de man. Misschien is het wel een zelfportret.” “Wat is-ie lief”, fluisterde een poëzieliefhebster tegen haar vriendinnen bij het verlaten van de zaal.

In een tot wooncomplex verbouwd weeshuis uit de negentiende eeuw las de twintigjarige Lernert Engelberts voor. Ook dit was een prachtig huis, met een fijne boekenkast, een hoog plafond, een abstract schilderij in vrolijke kleuren en gastvrije bewoners. Al die huiselijkheid gaf aanleiding tot fantasieën over een tochtig kraakpand, waar een kwaaie dichter zijn verzen spuwt, en de sloperskogel als een zwartgeblakerd oog door het raam naar binnen gluurt.

Lernert Engelberts las gedichten uit zijn pas verschenen tweede bundel, Ivoren toren te huur. Het was anekdotische poëzie, heel goed verteerbaar door de zelfspot die eruit sprak. (“Poëzie is voor mij zelfkritiek.”) In 'Op ervaring berustend' vraagt de dichter zich hardop af of hij wel genoeg meemaakt om te schrijven. Vertwijfeld kijkt hij naar zijn boekenkast. “Moet er zo nodig een millimeter van mezelf bij?” Hij vergelijkt de wereldliteratuur met een groot lichaam. “Zal ik later bij een van de vele schilferende huidcellen horen?”

In het gedicht 'Uitgangspunt' keert hij jaren later naar zijn ouderlijk huis terug. “Wat ben je veranderd, zegt ze als jullie / met thee en taart in de tuin zitten. / Verontrust vraag je je af: waarom jullie niet?” Een mevrouw vond hem wel erg ongenadig, en merkte op: “Misschien kom je later wel wat nader tot je ouders”. Engelberts knikte alsof hij het met haar eens was, en zei toen dat alleen de gedachte al aan zijn ouders weerzin bij hem opwekte. In zijn fantasie zag hij ze voor zich aan de ontbijttafel, terwijl ze 'achteruit aten': hun eten uitspuwend in plaats van het in de mond te steken.

In een atelier aan het Westeinde las Arie van den Berg zijn dierengedichten voor. Vooral over vogels, symbool van het dichterlijk verlangen los te komen van de aarde: het barmsijsje, de beo, de zwaan. (“maar zwanen kunnen niet ontroeren: / hun trots wekt hooguit weemoed, treurnis om / een bang vermoeden, dat maar ziekt en zanikt in die veel te kleine kop”.) Op het nieuwe tientje verscheen in onleesbaar kleine letters zijn gedicht over de ijsvogel, dat zo begint: “Dolk op wieken in een jasje van kobalt, / buik oranje... maar de oogwenk ziet / even maar een blauwe vlam.”