Van Os: fresco's hadden grote invloed op gelovigen

Bij twee aardbevingen is vrijdag de basiliek van Franciscus in Assisi zwaar beschadigd. Henk van Os, oud-directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam en nu voor een symposium in Rome, legt uit waarom de schilderingen van Cimabue en Giotto van zo'n groot belang zijn.

ROME, 29 SEPT. “In de basiliek van Franciscus in Assisi is iets heel bijzonders gebeurd. Nergens anders zie je dat cruciale moment in de ontwikkeling van de kunst van West-Europa zo goed geïllustreerd. Eigenlijk zijn de fresco's van Cimabue en Giotto het begin van de West-Europese schilderkunst.”

Henk van Os, voormalig directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam en nu weer hoogleraar daar, houdt wat slagen om de arm. Giotto was niet de enige vernieuwer, zegt hij, Rome en Siena hebben ook hun rol gespeeld. De Italiaanse kunsthistoricus Bruno Zanardi, die spreekt over de belangrijkste schilderwerken uit de hele kunstgeschiedenis, overdrijft onder invloed van de emotie die de schade van de aardbevingen teweeg heeft gebracht. Niettemin zijn volgens Van Os, die in Rome is voor een symposium over middeleeuwse religieuze kunst, de fresco's in de basiliek in Assisi “een heel belangrijk Europees cultuurbezit. Cimabue en Giotto zijn de vaders van de West-Europese schilderkunst.”

“De kunst uit het begin van de dertiende eeuw was van een ontroerende boersigheid”, vertelt hij. “Die heeft ook zijn eigen charme. Maar in het midden van de dertiende eeuw zie je ineens een enorme verandering. Dan grijpt een kunstenaar als Cimabue ineens terug op de oude Byzantijnse traditie. Dat betekent een enorme verrijking van het beeldende vocabulair. En met die traditie gingen schilders als Cimabue en Giotto aan de slag.

“Het Byzantium was een soort vrieskast waar belangrijke motieven, de antropomorfe kunst uit de oudheid, van de Romeinen, waren ingevroren. In de Italiaanse kunst uit de tweede helft van de dertiende eeuw worden die vormen ontdooid. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij Cimabue. Bij hem is het lichaam van Christus niet meer een schema; het wordt vlees, om zo te zeggen. Het is gemodelleerd, tastbaar, er is een picturale illusie van ruimte. Dat proces is op een hele monumentale manier doorgezet door Giotto.”

Onder invloed van Giorgio Vasari en diens beroemde boek Het leven van de kunstenaars lijkt het soms alsof Giotto, afkomstig uit Florence, in zijn eentje de schilderkunst een nieuwe kant op heeft gestuurd. “Vasari is de oudste kunsthistoricus en hij moest voor de Florentijnse heerser Cosimo De Medici een chauvinistisch verhaal schrijven waaruit blijkt dat de moderne kunst is ontstaan door de Florentijnen. Maar het is natuurlijk een proces van generaties geweest. Je weet niet precies hoe dat ging. “Daar komt bij dat in Vasari's boek Rome helemaal niet wordt genoemd, terwijl zich daar met het werk van Pietro Cavallini een belangrijke monumentale beeldende kunst traditie had ontwikkeld. Ook Siena is buiten beschouwing gebleven, en daar leefden toch de belangrijkste paneelschilders van die tijd. Zij hebben die Byzantijnse traditie wat anders doorgezet dan Giotto, wat gevoeliger. Door Vasari hebben we misschien wel overdreven veel aandacht besteed aan Florentijnse schilders en niet gezien wat er in het algemeen gebeurde. Maar hoe je het ook bekijkt, Assisi is van dit proces van vernieuwing het belangrijkste document.”

Overigens is niet iedereen ervan overtuigd dat de fresco's op de muren van de basiliek inderdaad zijn gemaakt door Giotto. De Italiaanse kunstcriticus Federico Zeri is ervan overtuigd dat de Romein Cavallini de maker is. “Daar is een eindeloos gedoe over”, zegt Van Os. “Ik houd het erop dat het bijna onmogelijk is om niet te denken dat Giotto bij die fresco's een rol heeft gespeeld. Welke rol precies, dat is allemaal behoorlijk ingewikkeld.”

Niet alleen kunsthistorisch, ook cultuurhistorisch hebben de achttien fresco's waarin Giotto sleutelmomenten uit het leven van de heilige Franciscus heeft afgebeeld, een enorme betekenis. “De fresco's zijn gemaakt naar het geautoriseerde leven van Franciscus zoals dat is opgetekend door Bonaventura”, zegt Van Os, wiens oratie in 1974 over Franciscus ging. “Elke pelgrim die in de basiliek kwam, kreeg dit voorgeschoteld. De fresco's vormen de eerste visuele documentatie van een persoonlijke geloofstoeëigening. Zij hebben een gigantische invloed gehad op gelovigen.”

Sommige Italiaanse kunstcritici roepen dat de schade aan de basiliek de schuld van de staat is. Die zou te weinig aandacht besteden aan onderhoud, restauratie en bescherming van het omvangrijke culturele erfgoed van Italië, waar volgens sommige becijferingen ongeveer zestig procent van alle kunst is te vinden.

“Ik kan me niet voorstellen dat je zo'n ramp had kunnen voorkomen”, zegt Van Os. “Je moet achter een aardbeving geen complot zoeken, geen bewijs dat de Italiaanse samenleving verziekt is. Het grappige is dat de Italianen zelf daar altijd mee beginnen. De staat is in Italië staatsvijand nummer één. En dat is absolute quatsch. Ze hebben hier meer ervaring met het onderhoud van muurschilderingen, met het restaureren van schilderijen op panelen, dan waar dan ook. Als er één groep mensen is die dat kan, dan zijn het de Italianen.”

Maar de worsteling tegen de bureaucratie dan, het haperende beleid? “Ik heb het over deskundigheid, absoluut niet over beleid. Daar zie je soms fantastische dingen. Ik woonde in Florence tijdens de grote overstroming in 1966. Veel van het geld dat toen werd overgemaakt bleek op de privé-rekening van een politicus terecht te komen. Dergelijke problemen bestaan ook, natuurlijk. Die theorie van staatsvijand nummer één is er niet voor niets.”

Ook al zegt het crisisteam dat een paar fresco's, waaronder een van Cimabue, onherroepelijk verloren zijn gegaan, Van Os vindt het nog te vroeg voor dergelijke uitspraken. “Je staat soms te kijken van wat er nog mogelijk is. Ik herinner me dat bij die overstroming de meest gruwelijke, dramatische scenario's werden gepresenteerd, ook al omdat dat het meeste geld oplevert. Maar ik heb toen enorme bewondering gekregen voor de professionele aanpak van de Italianen. Natuurlijk vinden veel mensen dat die restauraties niet goed gebeuren. Met de Sixtijnse kapel hebben we dat ook meegemaakt. Maar ik ben daar niet zo van onder de indruk. Ik geloof niet dat je nu al kan zeggen dat bijvoorbeeld dat fresco van Cimabue definitief verloren is. Nergens is zoveel kennis over restauratie als hier.”