Schilderijen uit bezit Goudstikker teruggeëist

AMSTERDAM, 29 SEPT. Het ministerie van OCW probeert naast de Koenigs-collectie ook vier schilderijen terug te krijgen uit Rusland die voor de oorlog behoorden tot de verzameling van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker. De schilderijen werden net als de Koenigs-collectie tijdens de oorlog naar Duitsland verkocht en in 1945 door de trofeeënbrigades van het Rode Leger meegenomen naar de Sovjet-Unie, waar ze jarenlang in geheime depots waren opgeslagen.

Het gaat om het schilderij Oude vrouw telt geld van Salomon Koninck, het Landschap in maanlicht van Aert van der Neer, een mansportret van de zestiende-eeuwse Franse schilder Corneille de Lyon en een portret van de 18de-eeuwse Engelse schilder George Romney.

De schilderijen bevinden zich in het Poesjkin Museum te Moskou en de Hermitage in St. Petersburg. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de kwestie van de vier schilderijen afgelopen zomer in Rusland aan de orde gesteld.

De Inspectie Nederlands Cultuurbezit van het ministerie van OCW werd anderhalf jaar geleden geattendeerd op het schilderij van Salomon Koninck door de Russische kunsthistorici Konstantin Akinsja en Grigori Kozlov, die het in 1995 ontdekten in een depot van het Poesjkin-Museum. Op de achterkant van het doek bevond zich nog een etiket met de tekst 'Collectie Goudstikker Amsterdam, Herengracht 458, no. 2010'. Akinsja en Kozlov publiceerden hun ontdekking in hun vorig jaar verschenen boek Operatie Kunstroof. Ze spraken hierin ook het sterke vermoeden uit dat zich in de Russische depots nog meer schilderijen uit de Goudstikker-collectie bevinden.

Kort daarna werden de doeken van Van der Neer, Corneille de Lyon en Romney getraceerd op een tentoonstelling in het Poesjkinmuseum. In een brief aan de Russische regering zijn de schilderijen toen, als Nederlands kunstbezit, teruggevraagd. Gezien de ervaringen met de Koenigs-collectie, die Rusland tot nu toe hardnekkig weigert terug te geven aan Nederland, lijkt ook de terugkeer van de Goudstikker-schilderijen hoogst onzeker.

De vier doeken vormen slechts een fractie van de hele collectie Goudstikker, die in 1940 meer dan 1200 kunstwerken omvatte. Een groot deel, zo'n 800 werken, is na de oorlog niet meer teruggevonden. Door de Inspectie Cultuurbezit wordt hier nog altijd naar gezocht: “Zodra we een aanwijzing krijgen dat op een veiling, bij een expositie, of in een kunsthandel een van deze werken opduikt, gaan we erop af,” aldus Charlotte van Rappard, hoofd van de Inspectie.

Jacques Goudstikker kwam in mei 1940 om het leven op de boot naar Canada waar hij met zijn vrouw Desi von Halban Kurz en hun zoontje heen vluchtte. Zijn kunsthandel werd door het achtergebleven personeel overgedaan aan de Duitser Alois Miedl, die de zaak tijdens de oorlog voortzette onder de naam Goudstikker-Miedl. Een groot deel van de collectie die Goudstikker had achtergelaten werd door Miedl aan Hermann Göring verkocht, hoewel Goudstikkers weduwe uit Canada had laten weten dat ze daar geen toestemming toe gaf.

Pagina 11: Claim nazaten bij Nederlandse staat

Na de oorlog, toen de in Duitsland teruggevonden kunstwerken uit de voormalige Goudstikker-collectie gerecupereerd werden naar Nederland, kwamen ze in het bezit van de Nederlandse Staat en werden ze - evenals andere gerecupereerde kunst die tijdens de oorlog vrijwillig aan Duitsland was verkocht - ondergebracht in musea, waar ze ook nu nog hangen. Een deel werd geveild. Het geld dat Göring voor de collectie had betaald, was vastgezet voor de weduwe Goudstikker (die na de oorlog hertrouwd was met mr. A.E. von Saher), maar op de kunstwerken kon zij volgens de Nederlandse overheid geen aanspraak meer maken aangezien deze door de nieuwe eigenaar van kunsthandel Goudstikker, Alois Miedl, vrijwillig aan de Duitsers waren verkocht. Op deze beslissing is later kritiek geweest: de schilderijen waren, toen ze werden verkocht, immers het eigendom van de weduwe Goudstikker en zij had uitdrukkelijk geen toestemming gegeven tot die verkoop.

Desi von Saher-von Halban Kurz, die deze zomer is overleden, heeft de rechtsgeldigheid van de verkoop van de Goudstikker-collectie aan Göring niet aangevochten omdat ze daartoe niet over de financiële middelen beschikte en omdat ze langdurig procederen over deze zaak emotioneel niet aankon, zoals ze in 1990 in een interview in Vrij Nederland vertelde. Wel heeft ze in de jaren vijftig geprobeerd rechtsherstel te krijgen wat betreft de verkoop van de kunsthandel aan Alois Miedl die zonder haar medeweten in 1940 plaatsvond. Uiteindelijk stemde ze toe in een schikking, hoewel ze zich 'ten zeerste benadeeld' voelde. De zoon van Jacques en Desi Goudstikker, Edward von Saher, die vorig jaar in New York overleed, heeft evenals zijn moeder geen pogingen meer gedaan om tot een nieuwe regeling te komen met de Nederlandse overheid. Zijn weduwe, de in New York woonachtige Marel von Saher-Langenbein en haar twee dochters willen nu volgens een artikel in het Algemeen Dagblad alsnog proberen de destijds getroffen schikking aan te vechten en een claim in te dienen bij de Nederlandse overheid.