Erger dan de cholera

De afgelopen maanden heb ik mij volledig ondergedompeld in de jenever. Dat wil zeggen, in de talloze volksnamen die er in Noord en Zuid voor 'jenever' en 'klein glaasje sterke drank' bestaan. Eind vorig jaar stelde ik voor de Donderdag Agenda een lijst met 120 borrelnamen samen. Later verscheen er een serie artikelen in de Volkskrant en stonden er oproepen in Het Parool en de GPD-bladen. Resultaat: er kwamen ruim 130 brieven binnen en na een uitvoerig aanvullend onderzoek groeide de lijst uit tot ruim zevenhonderd woorden.

Is het interessant de geschiedenis van ruim zevenhonderd borrelnamen uit te zoeken? Laat ik eerlijk zijn, ik heb daar even over getwijfeld. Maar al spoedig bleek dat onze taal juist op dit gebied ongekende hoogten heeft bereikt. Wij kennen onvoorstelbaar veel woorden voor drinken, drank en dronkenschap en onze taal laat zich daarbij van zijn boeiendste kant zien: lenig, scherp, versluierend, creatief, eigenzinnig en geestig.

Bovendien moet je al die namen eerst bij elkaar zetten om de verbanden te zien. Bijvoorbeeld tussen de borrelnamen die naar dieren zijn genoemd. Wat bezielde de 19de-eeuwer om in de kroeg een kikkertje te bestellen, een gans of een snip? De overeenkomst tussen deze dieren is dat ze in het water leven, in het nat. De kikker, de gans en de snip kunnen eeuwig in het nat verblijven, een toestand die in de ogen van een dronkaard ideaal is. Daarom zijn deze borrelnamen ontstaan, meestal vergezeld van uitdrukkingen of zegswijzen waarin hetzelfde naar voren komt. Zo lezen we in een spreekwoordenverzameling uit 1874: hij zou wel een zwanenhals willen hebben, om altijd, met de kikvorschen, den bek in 't nat te hebben. En: hij wou wel, dat hij, als de kikvorschen, maar behoefde te happen, om een slokje naar binnen te krijgen. Bij die laatste uitdrukking staat als toelichting: “Benijdenswaardige dieren, die kikvorschen, naar 's dronkaards meening. Hoe gemakkelijk zou zijn thans zoo moeilijk werk voortgaan, indien hem die kikkergave eigen was!”

Ook tussen de borrelnamen champagne-militair, likeur de canaille, metserscognac, poor man's Scotch en sampampel bestaat een verband. Ze drukken allemaal uit dat jenever respectievelijk de likeur, de cognac, de whisky of de champagne - de sampampel - voor de gewone man is, voor het klootjesvolk. Jan met de pet kon zich deze luxedranken niet veroorloven, en daarom zocht hij zijn heil in foezel, pensenterger, haarwater of andere goedkope, inferieure jenever. Aardig is ook dat dit soort benoemingsmotieven internationaal zijn. De Vlaamse borrelnaam metserscognac, 'metselaarscognac', heeft bijvoorbeeld een Duitse tegenhanger, want in Duitsland wordt goedkope jenever Maurerschwei genoemd, letterlijk 'metselaarszweet'. Wij hebben veel borrelnamen, maar de Duitsers, Fransen en Engelsen ook! Honderden namen blijken vrijwel overeen te komen. Zo kennen wij de borrelnaam leeuwenmelk. De Engelsen spreken in dit verband van tiger's milk en de Fransen noemen hun pastis wel lait de tigre of lait de panthère.

In totaal bestaan er, vanaf de zestiende eeuw tot nu, een kleine vijftig naamgevingsmotieven. Het is natuurlijk het leukst per woord precies de geschiedenis uit te vlooien. Zoals van erger dan de cholera, een van de allervreemdste Nederlandse borrelnamen. In de literatuur over gedistilleerde dranken wordt deze borrelnaam verklaard als een verbastering van het Duitse echter Wacholder. Nu is Wacholder, een Duitse alcoholische drank van graan en jeneverbessen, in de volksmond inderdaad gruwelijk verhaspeld, maar de herkomst van erger dan de cholera moet toch heel ergens anders worden gezocht. Deze borrelnaam gaat terug op de titel van een pamflet waarmee dominee O.G. Heldring in 1838 frontaal de aanval opende op de vaderlandse jeneverindustrie. In dit 56 pagina's tellende pamflet, dat is getiteld De jenever erger dan de cholera, toonde Heldring met harde cijfers aan “hoe steden, dorpen en huizen, dagelijks verpest worden door de treurigste uitvinding der menschheid”. Terloops merkte hij op: “Ik kan niet voorbij, hier te doen opmerken, dat de uitvinding van het gebruik van den jenever een geschenk is der Mooren, toen zij Europa verlaten moesten.”

De gezamenlijke jeneverstokers van Schiedam sloegen in 1839 terug met een eigen pamflet, dat slechts vier pagina's telt. Hierin somden zij de vele zegeningen van de jenever op. Het was goed voor de gezondheid, een troost voor “den zogenaamden gemeenen man”, een rijke bron van inkomsten voor de groot- en kleinhandel en een goudmijn voor de schatkist. Daarnaast was het een “smakelijk dwangmiddel” in de handen van de zendelingen “om door goed voorbeeld onze koper- en koffijkleurige natuurgenooten tot het christendom over te halen”. Tot slot was jenever een onuitputtelijke bron van inspiratie voor onze taal.

Hildebrand ridiculiseerde Heldrings pamflet in 1839 in de Camera Obscura: “... waarop tante, na alvorens haar bril te hebben afgezet, een kastje opende en daaruit te voorschijn bracht een fleschje met van der Veen's elixer, een fleschje met 'erger dan de cholera', en drie glaasjes. Oom wenschte mij frisschen morgen.”

Als schertsende benaming voor jenever is erger dan de cholera alleen in de Camera Obscura aangetroffen. Wel stond in 1844 in het boekje Physiologie van Amsterdam: “Dan spoedt hij zich huiswaarts, waar hij zeker is een fleschje van dat vocht, waartegen Ds. Heldering zoo te velde trekt, in gereedheid te vinden, vergezeld van een klein fleschje van der Veens maaglixter.”

Overigens noemde Beets het later “eenigszins lichtzinnig” dat zijn alter ego Hildebrand zo een loopje met Heldring had genomen. Hij zette dit in 1876, tien jaar na Heldrings dood, recht door een levensbericht over hem te schrijven waarin hij het pamflet De jenever erger dan de cholera juist prees. Tijdens de cholera-epidemie van 1830-1840 werd jenever in Duitsland trouwens gepropageerd als geneesmiddel tegen deze ziekte. Uit die periode stamt de uitdrukking Schnaps ist gut für die Cholera.