De oudjes moeten de oudjes verzorgen

De verdergaande vergrijzing en ontgroening van Nederland, waar het Werkverband Periodieke Rapportage Bevolkingsvraagstukken onlangs op wees, treft ook het vrijwilligerswerk. “De ouderen haken af bij zware klussen.” Op zoek naar de jeugd.

DOETINCHEM, 29 SEPT. Nog altijd rijden de medewerkers van de Doetinchemse afdeling van de Unie van Vrijwilligers (UVV) elke dag hun rondje om een groot aantal ouderen en hulpbehoevenden in de stad van een volledige maaltijd te voorzien. Het wordt echter steeds moeilijker dit tafeltje-dek-je bezorgd te krijgen. Er is voldoende belangstelling voor het eten, maar er is amper spierkracht om de zware dozen met voedsel te sjouwen. De afdeling krijgt weinig nieuwe mensen en het medewerkersbestand vergrijst.

De UVV in Doetinchem telt tweehonderd medewerkers, van wie er niet meer dan 25 jonger dan dertig jaar zijn. Gemiddeld, zegt bestuurslid M. van IJzendoorn, is de leeftijd vijftig jaar en ouder. Dat heeft in toenemende mate gevolgen, bijvoorbeeld bij het verstrekken van de maaltijden. “De ouderen haken af bij dit soort zware klussen”, aldus Van IJzendoorn. “Het probleem is met name dat er geen nieuwe, jonge medewerkers bijkomen. We proberen de medewerkers in hun omgeving nieuwe leden te laten werven, maar dat gaat moeizaam. De mensen willen tegenwoordig worden betaald voor werk en dat doen we niet. We geven alleen een onkostenvergoeding en we verzekeren de mensen.”

De problemen bij de UVV in Doetinchem zijn exemplarisch. Het vrijwilligerswerk in Nederland, althans onderdelen daarvan, voelt steeds meer de nadelen van de toenemende vergrijzing en ontgroening, zoals het Werkverband Periodieke Rapportage Bevolkingsvraagstukken deze maand meldde. Het werkverband is een samenwerking tussen onder andere het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Planbureau. Steeds minder jongeren voelen zich aangetrokken tot vrijwilligerswerk, bovendien worden de oudere vrijwilligers gemiddeld steeds ouder. Nederland telt naar schatting drie miljoen vrijwilligers. Ze verrichten onbetaalde werkzaamheden, variërend van bezigheidstherapie en patiënten bezoeken tot activiteiten bij Amnesty International, de sportvereniging en de speel-o-theek. Vooral in de zorgsector doen ouderen het vrijwilligerswerk noodgedwongen meer en meer. Wandelen en rolstoelrijden met bejaarden, het onderhouden van telefooncirkels en de lectuurvoorziening, het vriendschappelijk contact en de begeleiding naar het ziekenhuis - het spreekt de jeugd steeds minder aan. “Het is in toenemende mate het verhaal van oudjes helpen oudjes”, zegt projectleider A. Hijink van de Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV) in Utrecht, waarbij circa honderd vrijwilligerscentrales en -vacaturebanken zijn aangesloten. Vanuit de lidorganisaties bereiken het kantoor in Utrecht meer en meer geluiden dat de oudere vrijwilligers fysieke problemen ontmoeten bij de hulpverlening. “In het meest negatieve scenario betekent deze trend dat de organisaties activiteiten moeten staken. Lichamelijk zwaarder werk, zoals het verzorgen van tafeltje-dek-je, zouden dan afvallen”, aldus Hijink.

Om het tij te keren is de NOV in samenwerking met Sire (Stichting Ideële Reclame) een campagne begonnen met als motto: 'Vrijwilligerswerk, dat je daar nooit aan gedacht hebt'. De campagne moet het percentage deelnemende jongeren opkrikken. Dat is hard nodig ook, zegt Hijink. Op dit moment is niet meer dan negentien procent van alle vrijwilligers jonger dan 35 jaar. Ter vergelijking: bijna 35 procent is ouder dan 55 jaar.

Er is volgens Hijink een aantal redenen dat de vergrijzing doorzet. In de eerste plaats stapt 'de huisvrouw' als de kinderen naar school gaan of de deur uit zijn niet in het vrijwilligerswerk (zoals jarenlang gebeurde), maar in een betaalde baan. “Ze hebben een baan en een huishouden. Ze hebben dan geen tijd voor vrijwilligerswerk.”

Daarnaast zijn de jongeren drukker dan vroeger. “Ze hebben er de tijd niet voor een paar uur per week vrijwilligerswerk te doen”, weet bureaumanager H. Abbing van de Landelijke Unie van Vrijwilligers. Abbing vraagt zich af of het te maken heeft met een egoïstische instelling van de jongeren. “Daar heeft het ongetwijfeld voor een deel mee te maken. De jongere is autonomer, bepaalt meer zelf hoe hij zijn tijd indeelt en met wie hij omgaat.” Hijink spreekt in dit verband over “een maatschappelijke desinteresse en over de noodzaak een jongere op zijn eigen niveau aan te spreken”. Hij wil weliswaar niet achter een rolstoel lopen, hij zou wel degelijk ander vrijwilligerswerk kunnen doen. “Een aankomend journalist wil bijvoorbeeld best meewerken aan het blaadje van de buurt. We zullen moeten leren een aanbod aan taken te formuleren voor jongeren, daar zijn we tot op heden onvoldoende in geslaagd.” De vrijwilligersorganisaties moeten inderdaad het roer omgooien, zegt directeur C. van den Bos van de Vrijwilligerscentrale Arnhem. Ze zullen moeten inzien dat de maatschappij verandert en dat de burger verandert. “Als iemand niet langer stelselmatig iets wil doen, zorg dan voor een aanbod waarin hij eenmalig iets kan betekenen. We moeten leren omgaan met het feit dat ook de vrijwilliger een mondige en vitale burger is. Vroeger kon je hem iets opdragen, nu moet je overleggen. Bovendien moet je meer met roosters en projecten gaan werken. Zolang dat niet gebeurt zal de vergrijzing doorzetten.”

De traditionele vorm van vrijwilligerswerk moet zo snel mogelijk grondig veranderen, zegt Van den Bos, en de organisaties moeten dat zelf voor hun rekening nemen. “Neem de thuiszorg of het vrijwilligerswerk in de kerken. De draaiboeken daarvan zijn vijftig jaar oud. Het is toch geen wonder dat de jongeren zich daardoor niet voelen aangesproken? Wil je de vergrijzing tegengaan, dan zul je de jongeren erbij moeten halen. Dat kan door ze op hun eigen niveau en manier aan te spreken.”

Daar is Hijink van de NOV het helemaal mee eens. “Als we de jongeren niet bereiken, dan laten we kansen liggen. Vervolgens zullen we activiteiten moeten laten vervallen, omdat de vergrijzende medewerkers die niet meer aankunnen. Dat kan niet de bedoeling zijn. We zullen meer moeten uitgaan van wat iemand kan dan van de taken die moeten worden gedaan. Dat is nieuw. Op de lange termijn lijkt ons dat de meest vruchtbare manier om de vergrijzing tegen te gaan.”

W. de Waard, 67 jaar: “Ik ben al meer dan 26 jaar vrijwilligster in het Slingelandziekenhuis in Doetinchem. Ik heb in de verpleging gewerkt, dan blijft het ziekenhuis trekken, hè? Het begon met de kerkdiensten: ik bracht mensen in bed of in een rolstoel naar de dienst, gaf ze na afloop koffie, maakte een praatje en bracht hen weer terug naar hun afdeling. Dat werk doe ik nog steeds. Zes jaar geleden begon ik ook op het patiënten-servicebureau. Twee middagen in de week licht ik mensen voor, die in het ziekenhuis moeten worden opgenomen. Daarbij moet je vaak subtiel te werk gaan. De mensen zijn vlak daarvoor bij de arts geconfronteerd met iets vreemds of engs. Dan moet je duidelijk uitleggen wat er aan de hand is, maar ook weer niet tè veel zeggen. Ik geef ze informatie-materiaal mee. Dan kunnen folders zijn, maar ook video-films. Krijg ik klachten, dan sluis ik die door naar de vaste krachten van het ziekenhuis. Die maken er werk van. Ik vind vrijwilligerswerk heel erg leuk om te doen. Ik sta ik er vaak versteld van hoe dankbaar de mensen zijn die je aan het helpen bent. Ik doe het voor m'n plezier hoor, denk ik dan. Het leuke is dat je met mensen kunt omgaan en dat je echt kunt helpen. Zolang ik kan, blijf ik dit werk doen. Op het bureau vragen ze af en toe ook: je blijft toch wel, hè? Ja hoor, zeg ik dan, ik blijf nog jaren.”

M. Boekholt, 57 jaar: “Ik heb acht jaar vrijwilligerswerk gedaan bij de colonne van het Rode Kruis in Velp, daarna ging ik naar Arnhem. Dat is al weer twaalf jaar geleden. Ik heb vroeger op een Rode Kruis-kantoor gewerkt. Daar vroeg men me op zeker moment om vrijwilligerswerk te verrichten. Dat heb ik gedaan en ik heb er nog geen seconde spijt van gehad. In de colonne ben ik een werkmier: ik verzorg wekelijks een oefenavond, begeleid zieken en gehandicapten tijdens busreizen en ik ben als EHBO'er vijf tot zes keer per jaar bij een sportevenement. Tot 1 januari van dit jaar was ik heel erg druk; de hele dag door was ik bezig met mijn werk voor het Rode Kruis. Dat ben ik een beetje aan het afbouwen. Hoewel, in februari zijn we begonnen met een project op scholen. We hebben een lespakket gemaakt om het werk van het Rode Kruis te promoten. Het is moeilijk jongeren vast te houden. Ze zijn zo druk, hebben zoveel dingen om handen. Ik zie het wel als een bedreiging dat de jeugd zo moeilijk te betrekken is bij het vrijwilligerswerk van het Rode Kruis. Voor mezelf vind ik het heel belangrijk dat ik andere mensen help, dat is me van huis uit meegegeven. Je hebt talenten gekregen en kunt daarvan iets teruggeven aan mensen die het veel minder goed hebben. Bovendien vind ik het heel erg leuk om samen met een groep iets te doen. Er gaat een wisselwerking uit van vrijwilligerswerk: je doet iets voor een ander en je krijgt er dankbaarheid voor terug.”

H. Meijer, 53 jaar: “Toen ik werd afgekeurd, kwam ik thuis te zitten. Daar zit je dan maar duimen te draaien. Op advies van mijn vrouw ben ik eens gaan kijken bij de ziekenomroep hier in Hengelo, die mensen nodig had. Ik ging me daar met de techniek bezig houden. Niet dat ik van huis uit een techneut ben, helemaal niet. Van het een komt het ander. En zo raakte ik ook betrokken bij het buurthuis Hasseler Hoes, ook hier in de stad. Daar sta ik op maandag- en donderdagavond achter de bar, van half zeven tot één uur. Ik bedien, bijvoorbeeld, de mensen die hier aerobics komen doen of iets anders in clubverband. In totaal ben ik veertien uur per week bezig met vrijwilligerswerk, twaalf uur in het Hasseler Hoes en twee uur bij de ziekenomroep. Ik zou wel meer uren kunnen werken, maar veertien uren vind ik genoeg. Het leuke is het contact dat je hebt met de mensen. Je komt nog eens buiten de deur en kunt met iedereen een praatje maken. Ik zou de hele dag thuis zitten als ik dit niet te doen had en dat is natuurlijk ook geen prettig vooruitzicht. Ik ben van plan dit werk nog heel lang te doen, inderdaad. Of het nuttig werk is? Zonder vrijwilligerswerk zouden heel veel activiteiten niet kunnen worden uitgevoerd, dat is wel zeker.”

B. Beijer, 48 jaar: “Ik werkte in de grafische industrie en raakte werkloos. Via een oproep in de krant kwam ik in contact met tafeltje-dek-je. Daar hadden ze vrijwilligers nodig om de maaltijden rond te brengen. Ik had geen auto, maar van een vriendin mocht ik de auto lenen. Sindsdien ben ik bij het vrijwilligerswerk betrokken. Dat is nu alweer vijf jaar. Op dit moment hebben we bij tafeltje-dek-je vijftig chauffeurs en brengen we elke dag tussen de 170 en 180 maaltijden rond. En dat is alleen nog maar in Doetinchem. Het belang van vrijwilligerswerk voor mij is het sociale aspect: je komt onder de mensen. De ouderen zijn dankbaar. Ze zitten verlegen om een praatje, dat merk je elke keer weer. Maar de laatste op onze route wil ook graag warm eten, dus hebben we voor een gesprek geen tijd. Je moet elke keer maar verder. Tafeltje-dek-je is ook nog zoiets als een sociale controle. We komen wel eens aan de deur en dan blijkt de bewoner de nacht ervoor overleden. Momenteel ben ik ook coördinator van de chauffeurs. Dat betekent dat ik elke dag van half elf tot één uur met tafeltje-dek-je bezig ben. Ik regel vervangende chauffeurs als er iemand uitvalt en ik rij zelf een route. Het is ook een verplichting, elke middag, zeven dagen per week. Vooral in het weekeinde zijn er niet altijd evenveel chauffeurs, dan is het een heel geregel om het rond te krijgen. Ik krijg geen vergoeding, alleen kilometergeld. Dat gaat in het vakantiepotje.”