'Al onze ervaringen liggen al vast in de kunst'

De Amerikaanse bariton Thomas Hampson begon zaterdag in het Amsterdamse Concertgebouw aan zijn serie 'Carte Blanche' met een symposium over muziek en beeldende kunst rond de laatste eeuwwisseling. Vanavond geeft hij, met sopraan Barbara Bonney en pianist Wolfram Rieger, het eerste van zeven concerten.

Thomas Hampson: 29/9, februari en april '98 Concertgebouw Amsterdam. Internet: www.hampsong.com en www.thomashampson.com

AMSTERDAM, 29 SEPT. De lach op het gezicht van Thomas Hampson wordt breder, wanneer ik zeg dat ik zijn web-site heb bezocht. “Ik heb hem zelf ontworpen, samen met een bedrijf in Boston. We hebben drie niveaus aangebracht, één voor de fans die foto's van me willen zien, één voor mensen die praktische informatie zoeken en een derde waarin musicologische essays van mij en anderen kunnen worden opgevraagd. Daar bevindt zich ook het zogenaamd Conservatorium, waarin ik kwesties aan de orde stel en mensen specifieke vragen kunnen stellen, die ik dan weer persoonlijk beantwoord.”

Over dat derde niveau spreekt Hampson het liefst. De Amerikaanse zanger (Spokane, 1954) is misschien wel de populairste bariton van zijn generatie en wanneer je met hem spreekt spoelt zijn robuuste charme in golven over je heen. Maar het gaat hem om de kunst, benadrukt hij vaak en graag. Hampson spreekt over de kunst met een hartstocht en bevlogenheid waarvoor een missionaris alleen maar kan bidden. Ik zeg dat het me begon te duizelen toen ik zijn agenda zag. Recitals, operas, musicals, speciale concertreeksen zoals Carte Blanche in het Concertgebouw, documentaires, en een groot aantal zorgvuldig samengestelde cd's van vaak verrassend repetoire. Hoe kan hij zich nog concentreren voor een optreden?

Hampson: “Ik kan van mijn hotelkamer heel goed een werkkamer maken, vooral nu ik vaak hetzelfde internationale parcours afleg. En ik leer erg snel, krijg snel greep op nieuwe partijen. Het nadeel is dat ik ze ook weer zo ben vergeten, zodat ik voortdurend aan het herinstuderen ben.”

Toch lijkt alles wat u doet heel weloverwogen.

“Zeker, ik stel mijn programma's heel zorgvuldig samen, het maakt niet uit of het een cd, een recital een documentaire of een concertserie is. Er moet een bedoeling achter zitten. Wat beweegt ons, waarom doen we wat we doen? Die vraag is van het grootste belang, zeker in deze tijd, met zijn ongelofelijke technische ontwikkelingen. En dan kom je altijd weer bij de kunst terecht, bij de muziek, de literatuur, de beeldende kunst. Dan realiseren we ons dat in die kunstwerken al onze ervaringen al besloten liggen. Anders gezegd, het leven verandert niet, al ondergaan we het steeds weer anders. Het is aan de kunstenaar om die continuïteit aan het licht te brengen. Dat is bijvoorbeeld zo absurd aan die controverse rondom de foto's van Robert Mapplethorpe. Het gaat niet om foto's waarop pornografische taferelen zijn vastgelegd, maar om om de wijze waarop een kunstenaar in een bepaalde periode zijn idee van de mensheid heeft verbeeld.”

In de manier waarop u met uw publiek probeert te communiceren lijkt u wel een beetje op Leonard Bernstein, een van uw leermeesters.

“Lenny kon op een magische manier met mensen communiceren en bezat bovendien een reusachtig reservoir aan kennis. Ik wil mezelf geenszins met hem vergelijken, maar ik deel zijn hartstocht om kennis over te brengen, zodat mensen dieper doordringen in wat ze horen of lezen. Je kunt natuurlijk op een primaire, instinctieve manier naar Van Gogh kijken en getroffen zijn door de kleuren. Maar hoe meer je van zijn tijd afweet, hoe meer van zijn persoonlijke leven kent, hoe meer je van de natuur weet, des te dieper je ervaring is wanneer je naar een schilderij van hem kijkt. En aangezien de kunst het leven weerspiegelt, hangt de reikwijdte van je persoonlijkheid af van de mate waarin je in staat bent een kunstwerk te ondergaan.

“Waar ik op uit ben is zoveel mogelijk mensen laten delen in mijn persoonlijke ervaring met datgene waarin ik zo hartstochtelijk geloof, waar ik zo veel van houdt. Ik wil echt dat mensen beseffen wat de gedichten die Heine in 1825 schreef verschillen van die van twintig jaar later. Wanneer ik een recital geef, dan mag commentaar achteraf toch niet enkel bestaan uit de opmerking dat mijn stem zo geschikt is voor Schumann. Gelukkig sta ik niet alleen in die hartstocht. Collega's als Barbara Bonney, Anne Sophie van Otter, Olaf Bär en Dawn Upshaw zoeken eenzelfde betrokkenheid van hun publiek. Een probleem is wel dat naarmate je meer contact zoekt met je publiek, je er uiteindelijk door overweldigd dreigt te worden. Een zanger moet toegankelijk zijn, maar je bent gedwongen je grenzen te stellen.”

Uw gedrevenheid veronderstelt ook een zeker pessimisme over onze cultuur. Gelooft u dat men kunst minder direct ondergaat dan vroeger?

“Jawel. Ten eerste is de specialisatie te ver doorgeschoten. Je denkt toch niet dat een nog verder onderscheid in genres en stromingen in bijvoorbeeld zang of ballet of beeldende kunst, je dichter bij de kern zal brengen, dat waar het in laatste instantie omgaat? Je kunt zang niet scheiden van psychologie, van literatuur al helemaal niet, maar ook niet van de filosofie.

“Al die kwalificaties, in mijn geval of ik nu een Verdi-bariton ben, of meer een Lieder-bariton, of een lichte, lyrische bariton, doen er toch helemaal niets toe? Het probleem is de ontzagwekkende hoeveelheid informatie die we te verwerken krijgen. Die wordt opgedeeld in zoveel mogelijk categorieën om haar beheersbaar te maken, maar niettemin vallen veel mensen wanneer ze daarmee geconfronteerd worden in hun onmacht terug op trefwoorden, of op sarcasme, cliché's, op karikaturen, wat dus voortkomt uit een zuiver negatieve impuls.

“De grootste uitdaging ligt in het herontdekken van wat wij van waarde achten, wat voor ons werkelijk van betekenis is en wat niet. Ik zie de vercommercialisering van de kunst, met de bijhorende sterrencultus, als gevaarlijke ontwikkeling. Kunstenaars zouden niet alleen maar tevreden moeten zijn met de bijval die zij krijgen, maar ook werkelijk proberen duidelijk te maken wat zij zien als de rol die zij in de traditie innemen.”

In uw geval lijkt de taak die u zichzelf stelt niet tot minder populariteit.

“O, maar ik bezit ook niet de sterrenstatus van een beroemde tenor of sopraan. Zelfs bij EMI, mijn eigen platenmaatschappij, bestaat er veel meer publicitair rumoer en opwinding rond een nieuw talent als Roberto Alagna dan rondom mijn platenoeuvre. Dat is eenvoudig een andere wereld. Ik geef toe dat het me soms ook steekt. Een artiest wil zich toch altijd geliefd voelen en ik kan jaloers zijn als ieder ander. Ik ben echter zeer tevreden sinds ik me niet meer bezighoud met het aantal foto's van me dat in de etalage van de platenzaken staat. Je moet je eigen koers varen, play your own game, om een term uit de golfsport te gebruiken.

“Ik ben wel bezorgd dat kunst steeds meer trekjes van entertainment krijgt. Entertainment gebruikt de actualiteit om te prikkelen, te amuseren. Kunst kan dat vermogen ook wel in zich hebben, maar biedt toch een veel wijdser perspectief. Iedere kunstuiting, of het nu een lied is, of een toneelvoorstelling, draagt iets van het verleden in zich, en ook iets van de toekomst. Dat besef, wat kunst eigenlijk is, is in onze tijd van het allegrootste belang. Het is de raison d' être van alles wat ik doe.

Zit al die kennis en uw zelfbewustzijn u niet in de weg wanneer u op het podium staat?

“Ik hoop het niet. Je kunt nog zoveel weten en gestudeerd hebben, maar op het moment dat je podium betreedt, gaat het om dat moment alleen. Als ik de rol van Posa in Verdi's Don Carlo zing, wil ik dat hij echt reageert op wat Carlos zegt. Ik wil mijn spontaniteit behouden. Wanneer je iets voor het publiek gaat doen, verlies je die onherroepelijk, of het nu tijdens een recital of een opera is. Eerlijk gezegd probeer ik mijn publiek te negeren. Waar het om gaat, is dat je al zingende deel voelt uitmaken van de stroom van het leven, dat je op dat moment iets herschept dat essentieel is. Zo hoop ik ook dat het publiek mij negeert. Als ik geestelijk en lichamelijk goed in mijn vel zit, open ik deur tot hun verbeelding. Ik ben de ober.”