Zakenlieden Egypte werken via armenzorg aan 'nieuw sociaal contract'; Geraffineerde filantropen

Met de invoering van de staatseconomie beteugelde president Nasser in 1954 de Egyptische charitas. Armenzorg werd een zaak van de overheid. Maar nu de vrije markt het leven in Egypte dicteert, leggen weldoeners zich toe op liefdadigheid. Zo verwerven zakenlieden politieke macht om de radicale islam in te kunnen dammen.

Ragaa is een spichtig meisje van twaalf. Ze draagt een te groot T-shirt, haar sliertige haar is in een knot gedraaid. Op haar armen zitten vlekken, een allergie. Ze hoest voortdurend.

Geen wonder, ze woont in Muqattem. Muqattem is een wijk aan de rand van Karo, waar mensen de kost verdienen met huisvuil.

's Nachts gaan Ragaas vader en broers met een kar naar de Soedanstraat, elders in de stad. 's Ochtends komen ze terug in Muqattem en kiepen de kar in die ene kamer waarin ze wonen. De vrouwen gaan erin zitten en leggen glas, papier, zeep en metaal op aparte hoopjes. Dat verkopen ze aan derden voor recycling.

Hun eigen kleren vissen ze uit het afval. Etensresten voeren ze aan twee zwarte varkens die ook in de kamer wonen. Als de varkens vet zijn, worden ze geslacht door christelijke slagers.

Muqattem, waar twintigduizend mensen wonen, stinkt als de ziekte. In de stegen ligt vuil waar niemand meer iets mee kan. Veel bewoners hebben geen water of stroom, ze bouwen huizen - van baksteen, ijzeren tonnen, golf plaat - waar het hen goeddunkt.

Ragaa hoorde tot voor kort tot de zeventig procent der zabbaleen, vuilophalers, die kan lezen noch schrijven. De provisorische riolering is eeuwig verstopt. Ook 's zomers staan er poelen op straat.

Tot begin jaren zeventig woonden de zabbaleen dichter bij het centrum. Maar de stad groeide. De regering verhuisde hen naar Muqattem. Net als elders in arme wijken regelen de bewoners hun eigen voorzieningen. Een slimmerd tapt water af van andere wijken en laat zich betalen door zijn 'klanten'. Met dat geld regelt hij dat de gemeente-inspecteur de andere kant op kijkt. Zo gaat het met de post, de ziekenzorg, alles.

Muqattem is een autonoom organisme.

Dat Ragaa, de kleine vuilsorteerster, nu een beetje leert lezen en schrijven, heeft ze niet aan de staat te danken. Daar heeft Yousriya Sawiris voor gezorgd. Sawiris (62) maakt deel uit van een groeiende groep gegoede Egyptenaren die het lot van de armen probeert te verbeteren - een trend die, als hij doorzet, verstrekkende gevolgen kan hebben voor de maatschappelijke en politieke verhoudingen in het land. Sawiris hoort tot de Koptische (christelijke) minderheid.

Veel inwoners van Muqattem zijn ook Kopten die begin deze eeuw uit hetzelfde dorp naar Kairo trokken. Maar in andere arme wijken beginnen rijke weldoeners - Kopten en moslims, parvenu's en zakenlieden uit de oude aristocratie - de machtige charitas van de fundamentalisten naar de kroon te steken. Net als de fundamentalistische Moslimbroeders financieren zij steeds meer schooltjes, sportclubs en klinieken voor de armen. Als zij een les van de Moslimbroeders hebben geleerd, is het wel deze: wie de vele miljoenen armen helpt die door de overheid in de steek worden gelaten, krijgt er politieke steun voor terug.

Zo proberen de zakenlui door liefdadigheid politieke macht te verwerven en de radicale islam in te dammen. 'Sociale stabiliteit', is hun devies. In Egypte, waar de regering al jaren alle (militaire) registers moet opentrekken om de fundamentalisten onder de duim te houden, lijkt dit de eerste constructieve poging om het probleem bij de wortel aan te pakken.

Wij gegoeden Sawiris woont in een monumentaal pand aan de Nijl, met Chinees antiek en bediendes. De koffie komt in een zilveren pot.

Soms zegt ze: “Susan Mubarak, de vrouw van de president, zei tegen mij...” Dankzij de economische hervormingen die Egypte de laatste jaren doorvoert, krijgt haar familie het fortuin en prestige terug dat zij verloor na de socialistische revolutie van Gamal Abdel Nasser in 1952. Nasser onteigende hun land, nationaliseerde hun bedrijven. In 1970 was negentig procent van de economie nog in handen van de staat.

Maar nu Egypte overstapt van staats- naar markteconomie, stampen de Sawirissen aan de Rode Zee weer toeristendorpen en hotels uit de grond alsof het nooit anders geweest is. Tot voor kort was dat werk aan staatsbedrijven of bedrijven van ministers voor behouden. De familie Sawiris zit ook in telecommunicatie; nu de ergste restricties op im- en export zijn opgeheven, drijven ze weer handel met het buitenland. “Wij gegoeden hebben baat bij de hervormingen”, zegt Sawiris, in haar Mercedes-met-chauffeur op weg naar Muqattem. “De armen krijgen de klappen. Subsidies op voedsel en huur worden teruggeschroefd. Alles wordt duurder. Ze krijgen niet meer automatisch een baan bij de overheid. Nu wij het ons weer kunnen veroorloven, moeten wij voor de sociale voorzieningen zorgen. Sociale stabiliteit is belangrijk voor zakenlieden.”

Sawiris heeft in Muqattem een fabriekje opgezet voor het recyclen van papier, een werkplaats waar van lompen kleden worden geweven en een compostverwerkingsinstallatie. Van de opbrengst betaalt ze schooltjes, ziekenzorg en het groeiende legioen wijkbewoners dat voor haar stichting werkt. Het loopt zo goed dat westerse donoren nu ook bijspringen.

De familie Sawiris heeft, ook in islamitische wijken, meer van dat soort projecten. Die zijn in een familiefonds ondergebracht. Andere welvarende families beginnen daar ook mee. Tijdens de Ramadan, de heilige maand van de moslims, geven de infitaheen, zij die van de hervormingen profiteren, de armen gratis te eten. Sommigen knappen monumenten op omdat de staat het niet doet.

Mahmoud al-Fayed, de vader van Diana's minnaar Dodi, stuurt rolstoelen naar een ziekenhuis in Alexandrië. Daar geven zakenlui ook leningen aan kleine handwerklieden die hun zaak willen uitbreiden, maar door geen bank serieus worden genomen. Sinds 1990 zijn er dertigduizend leningen verstrekt en 54.000 banen gecreëerd.

In een land met zestig miljoen mensen is dit een druppel op een gloeiende plaat. Maar de charitas breidt zich uit. Zij die erin gelo ven, zijn niet te stuiten. Sawiris sleept haar vrienden Muqattem in, met parfum op hun zakdoek, en laat ze cheques uitschrijven.

Zo kreeg ze een kopieerapparaat, computer en projectauto's.

“Drieëntwintig procent van de Egyptenaren leeft onder het bestaansminimum. Het is mijn politieke doel om dat percentage te verlagen.”

Met andere meisjes volgt Ragaa een gratis weefcursus. Van reepjes lompen weeft ze bonte kleden. De stichting verkoopt die op toeristenbazaars in Egypte en, via de connecties van de familie Sawiris, ook in Zwitserland. Als Ragaas cursus in oktober is afgelopen, krijgt ze een houten weefgetouw mee. Nadat zij 's middags klaar is met het sorteren van het vuil, kan ze thuis kleden maken.

De stichting neemt de kleden af, zij krijgt een deel van de opbrengst. Zo krijgt de familie een extra bron van inkomsten.

Ragaa krijgt ook les in hygiëne (“dat je je oren en handen moet wassen voor het eten”). Maar haar gezichtje begint te gloeien als ze over de school begint. Ze kan sinds kort eenvoudige kinderboeken lezen. “Ik weet niet waar ik het voor nodig heb. Maar het is zo'n mooie wereld.”

Bête glimlach

Als je de nieuwe maecenassen vraagt waar ze het voor doen, verwijzen velen met een bête glim lach naar die 'mooie wereld'. Begrijpelijk. Een van de erfenissen van het socialisme van Nasser is dat zakenlieden een slechte pers hebben. Als je armen in volkswijken vraagt wat ze graag willen doen, antwoorden ze tien tegen één 'business'. Het woord 'zakenman' krijgt dezelfde magische klank als 'ingenieur' dat in Nassers tijd had. In de krant staan niet alleen meer condoleancebetuigingen aan families van overleden regeringsfunctionarissen, maar ook aan zakenlui.

Maar op de redactionele pagina's van dezelfde kranten, die worden gedomineerd door 65-plussers die hun carrière in Nassers machtige jeugdclubs begonnen, worden zakenlui nog als 'parasieten' afgeschilderd. Ook in regeringskringen houdt de oude garde het voor het zeggen. De zakenlui nemen hun een last uit handen. En de regering ziet liever dat zakenlui de armenzorg voor hun rekening nemen dan de militant-islamitische weldoeners die veel arme buurten als koningen besturen.

De machthebbers realiseren zich ook dat de nieuwe zakenelite deels uit dezelfde aristocratie bestaat die zij in '52 onttroonden. Ze voelen zich bedreigd. Economische macht leidt tot politieke macht. Tot oppositie. Daarom zijn de meeste zakenlieden, behalve in besloten kring, terughoudend over hun ware motieven.

Charitas is een Egyptische traditie, zeggen ze.

Mohammed Ragab, een puissant rijke zakenman in Alexandrië, heeft niet alleen twee privé-scholen gebouwd, maar ook 23 scholen voor de staat. Elk jaar komen er zeven of acht bij. Verder laat hij staatsziekenhuizen opknappen en geeft vijfduizend families een kleine maandelijke toelage. Ragab zegt: “Een goed moslim geeft de armen wat hij kan missen. Dat staat in de Koran.

Omdat mijn familie voor de revolutie gul aan de armen gaf, heeft God ervoor gezorgd dat we door Nasser minder werden gepakt dan anderen.''

Voor Ragab, een gelovig man, is dat zeker een reden. In zijn kantoor hangen, naast foto's van hemzelf met de president en Amerikaanse ministers, Koranteksten in een vergulde lijst. Moslims horen jaarlijks ten minste 2,5 procent van hun vermogen en inkomen aan de armen te geven - de zakat. Zakat is anoniem: als God het ziet, is het genoeg. Maar de 'nieuwe zakat', zoals sommige sociologen de huidige liefdadigheidstrend in Egypte noemen, is heel wat meer dan religieus-geïnspireerde naastenliefde.

Zo zit 'Madame Yousriya', zoals de zabbaleen haar noemen, sinds enige jaren in het parlement.

Dat Sawiris juist in het verre district Muqattem meedeed aan de verkiezingen, was niet toevallig.

De mensen - niet alleen Kopten, maar ook moslims - stemden op haar omdat zij hun levensomstandigheden via het parlement misschien verder kon verbeteren.

Madame Yousriya wist dit jaar te voorkomen dat de regering de vuilophalers naar de woestijn zou verhuizen om plaats te maken voor een nieuwe wijk van Kairo.

Ook dwong zij de regering om de zabbaleen eigendomsrechten voor de grond te geven. Dat was nooit gebeurd, omdat de bewoners daarmee recht zouden krijgen op voorzieningen als elektriciteit en water. Zowel Sawiris als de zabbaleen hebben er belang bij om het zo te houden. Dankzij hun stemmen kan zij in het parlement voor de belangen van de zakenwereld opkomen.

Zakenlieden klagen dat de regering niet naar hen luistert bij het opstellen van nieuwe investeringswetten of privatiseringsplannen. Ze kunnen de ministers thuis opbellen. Maar een gezamenlijke zakenlobby is er nog niet in Egypte. Zakenlui wantrouwen elkaar.

De regering speelt ze tegen elkaar uit, door ze individueel douceurtjes te beloven en vervolgens te dreigen die weer in te trekken.

“We hebben politieke macht nodig”, vindt ook Husam Badrawi, arts, hoogleraar medicijnen, zakenman en directeur van het Nile Badrawi Ziekenhuis in Maadi.

Zijn werkkamer op de bovenste etage is meer een salon - leren banken, klassieke muziek, tafels vol orientaalse snuisterijen. Hij kijkt uit over maïsakkertjes langs de Nijl. Badrawi, een opgewekte veertiger met een bos grijs haar, heeft een mobiele telefoon op schoot. “Zij die regeren maken geen deel uit van de productie in dit land. Zij die produceren, hebben politiek niets in te brengen.

De tijd is rijp voor een bestuur van mensen die geld verdienen, werk bieden en een sociale visie hebben.''

Badrawi deed in 1996 aan de parlementsverkiezingen mee in Qasr al-Nil, een arme wijk in Kairo. Hij verloor. Hij klaagde dat stromannen van de regerende NDP-partij met de uitslag hadden gefraudeerd en de rechter gaf hem gelijk. De NDP-kandidaat zit nog in het parlement, Badrawi niet.

Maar hij blijft lachen. Hij noemt zichzelf een 'dromer van morgen'.

De Badrawi's bezaten voor de revolutie, net als de Sawirissen, landerijen en fabrieken. Onder koning Farouk bekleedden ze hoge posten. Sociale zorg was een kwestie van particuliere liefdadigheid. De universiteit van Kairo was een gift van een prinses aan het volk. Het ziekenhuis in Agouza werd generaties lang draaiend gehouden door de familie die het had gebouwd. De eerste niet-gouvernementele hulporganisatie (NGO) in Egypte werd in 1821 opgericht door welgestelden. De Badrawi's bouwden scholen in hun geboortedorp en probeerden hun boeren en arbeiders gezond te houden. “Die situatie komt terug”, zegt Husam Badrawi. “Ik doe hetzelfde als mijn voorouders honderd jaar geleden. Alleen minder lokaal. Ik heb er belang bij, net als zij dat hadden.”

Badrawi studeerde in het buitenland, als zoveel telgen van de onttakelde elite. Toen hij in 1985 uit Amerika terugkwam, had hij de keus: een particuliere kliniek openen en veel geld verdienen, of zich inspannen voor de volksgezondheid. Hij deed het eerste, maar wilde het laatste niet laten.

Daarom ging hij voor het eerst van zijn leven 'de wijken' in, waar zijn familie geen stap meer had gezet sinds Nasser in 1954 bepaalde dat particuliere giften voortaan via de staat hun bestemming moesten vinden.

Badrawi wilde een ziekenhuis voor de armen opzetten in Qasr al-Nil. Daar kwam hij snel van terug. Er is veel ziekenzorg. Niet van de overheid. Nauwelijks van buitenlandse NGO's. Maar er zijn veel kleine praktijkjes, in kamers die door moskeeën zijn gehuurd.

Dokters werken voor de sjeiks.

Een consult is haast gratis. Armen, leerde Badrawi, hebben geen specialisten nodig, maar allereerst primaire zorg. Ineens begreep hij waarom de Moslimbroeders en andere islamitische groepen zo populair zijn en zoveel politieke macht hebben vergaard.

Zij geven de mensen wat ze nodig hebben. In die kamertjes geven islamisten ook Engelse les en managementcursussen.

Badrawi besloot de bestaande kliniekjes te steunen, ook die van de broeders. Hij stuurde ze extra dokters, wier loon hij betaalt. Hij geeft ze instrumenten. Als een ziekenhuisopname echt nodig is, betaalt hij die. Badrawi wil de broeders politiek 'neutraliseren' door te doen wat zij ook doen: sociale zorg verlenen aan gefrustreerde paupers. Als de broeders politiek zoveel macht kunnen vergaren door armenzorg te verlenen, kan ik dat ook, zo redeneert hij. Zo wil Badrawi hen het monopolie op de liefdadigheid afpakken.

“Maar ik wil ze niet uit de markt drukken”, zegt hij. Hij laat een oorkonde zien van de Islamitische Gemeenschap van de Moskee van sjeik Salman. 'Voor Dr.

Husam Badrawi, met veel respect.' Hij steunt het weeshuis van sjeik Salman. Badrawi's dochter, een wereldse tiener in T-shirt en jeans, werkt er 's zomers als vrijwilliger. Haar vader zegt: “Als je de broeders negeert, zoals de regering doet, kun je nooit hun macht inschatten. Militaire confrontatie alleen is ook niet het goede antwoord gebleken. Als je met ze samenwerkt, kun je hun radicalisme dempen. Ik probeer de staat te dwingen eraan mee te doen.”

Studentenclubs Op de universiteit van Kairo is dat aardig gelukt. Sinds de jaren tachtig was de IKHWAN, de Moslimbroederschap, de enige die studentenclubs had. De broeders organiseerden lezingen en bijlessen en onderhandelden met de decaan over studentenrechten. De Raad voor Jeugd en Sport, een regeringsinstantie die hetzelfde zou moeten doen, was in geen velden of wegen te bekennen. Er was geen geld. Het enige antwoord dat de regering op de opmars der broeders wist te verzinnen, was een totaal verbod op politieke activiteit op de campus.

Er waren wel verkiezingen, maar die werden hevig door de overheid gemanipuleerd toen de broeders maar zetels in de Studentenbond bleven winnen. Pas toen Husam Badrawi - die lesgeeft aan deze universiteit - de Raad geld gaf, kwam er een tweede club van de grond. “Liberalen, Nasseristen, religieuzen, iedereen die het programma van de broeders te zwaar en te saai vond, meldde zich”, zegt de toenmalige student Mona Wahba. Zij begon krantjes en tijdschriften, en organiseerde concerten en gemengde reizen naar Sharm al-Sjeikh en Aswan. Binnen de kortste keren had de club dependances op universiteiten in heel Egypte. Er is zelfs een uitwisselingsprogramma met Canada. De broeders zijn niet verslagen, maar winnen wel minder zetels in de Studentenbond. En dat is precies wat Badrawi voor ogen had.

De Rockefeller van Egypte, Mahmoud Chamis, heeft gezegd dat er elk jaar twee studenten bij hem een betaalde stage mogen lopen. Chamis, van eenvoudige afkomst, is een van de grootste tapijtenfabrikanten ter wereld. Net als Badrawi weet hij ieder initiatief tot maatschappelijke verandering te waarderen - ook al is het van een groepje studenten dat droomt van een 'sociale revolutie'.

Volgens Chamis hebben tientallen jaren socialisme en herverdeling door de staat de mensen passief gemaakt. Geen wonder dat de fundamentalisten, die niet achterover in hun stoel bleven zitten, zo gemakkelijk in het sociale gat sprongen dat de overheid liet vallen en er geweldig van profiteerden. In zijn bedrijf moet Chamis iedereen achter de vodden zitten - zelfs nu hij een bonus-systeem heeft ingesteld. Eigen initiatief loont steeds beter, in Egypte.

Maar het 'afwachten' is de Egyptenaar in de genen gaan zitten. Behalve een zwak functionerend Ontwikkelingsfonds voor startende ondernemers zijn er weinig signalen dat de regering oplossingen bedenkt voor dit probleem.

Discretie en angst

Door het discrete karakter van de zakat en de angst van veel zakenlui er om een boekje over open te doen, is niet te bepalen hoeveel zij in liefdadigheid steken. Weldoeners Sawiris, Ragab en Badrawi beantwoorden die vraag met een mysterieuze grijns. “Ik heb ook geen cijfers”, zegt sociologe Ameni Qandil, die een boek schreef over de geschiedenis van de charitas in Egypte. “Maar filantropie komt terug, dat is zeker. Het is alleen nog lang niet wat het voor de revolutie was. Toen was er een directe relatie tussen arm en rijk. Die is nu bijna afwezig.”

Een van de indicaties dat er maatschappelijk toch iets aan het schuiven is, is de reactie van de sjeiks. In Egypte zijn vijftienduizend NGO's werkzaam. Eenderde is in handen van de Moslimbroeders. Vooral in stadswijken waar migranten van het platteland illegaal huizen hebben gebouwd en waar de staat nauwelijks aanwezig is, hebben die NGO's, via moskeeën, ongeveer het monopolie op de dienstverlening. Toen de eerste zakenlui een paar jaar geleden in de Kareense volkswijk Imbaba straten gingen plaveien en studiebeurzen uitdeelden, schreef de krant Al-Shaab: “Een deel van dat geld is haram, onrein. Mensen die het gebruiken, zijn professionele oplichters.”

Tijdens de Ramadan zetten de zakenlui ook in Imbaba meer en meer tafels voor de armen op straat. Sommigen lieten geen traditionele maaltijden aanrukken, maar pakketten met rundvleesburgers en sandwiches. De sjeiks scholden op die 'MacDonaldisatie van de charitas'. Maar Ramadan-tafels zijn een goede daad volgens de Koran, ook al zijn ze op zijn westers gedekt. Het volk schuift dankbaar aan. Sommige weldoeners zijn lokale zakenlui, die profiteren van de economische hervormingen.

De sjeiks zijn wijselijk gestopt met schelden en gaan charitatieve allianties aan met deze mannen: de moskee organiseert liefdadigheid, zakenlui betalen. Mede door hard regeringsingrijpen was Imbaba al niet meer de 'Islamitische Republiek' die het eind jaren tachtig was. Het leger is overal. In een inhaalmanoeuvre bouwt de staat hier en daar een school. En het feit dat de eerste zakenlui zijn gekozen voor wijkraden, duidt erop dat de sjeiks ook hier politiek de macht moeten gaan delen.

Het is te vroeg om te bepalen of de nieuwe liefdadigheid van de zakenlui zal leiden tot een soort 'drie-eenheid' tussen staat, moskee en burger, zoals de Alexandrijnse zakenman Mohammed Ragab zo graag ziet ontstaan. Zeker is wel dat de zakenlui in Imbaba de broeders politiek een toontje lager laten zingen en de staat tegen wil en dank de wijk in lokken door scholen te bouwen die ze vervolgens, conform de wet, aan het ministerie overdragen.

Volgens Nizar, een twintiger die in een kamer boven een moskee avondcursussen 'zelfstandig ondernemen' geeft, is het in Imbaba moeilijk nog te bepalen wie wie is. Sjeiks, zakenlui, overheidsdienaren en ronselaars die voor wat smeergeld als schakeltjes zijn gaan fungeren tussen het volk en die drie groepen - ze hebben elkaar allemaal nodig en profiteren van elkaar. Door die nieuwe onderlinge afhankelijkheid vervaagt het verschil tussen die groepen.

“Een van de zakenlui in mijn straat is een Broeder”, vertelt Nizar, die een nep-Calvin Klein-shirt draagt dat straatverkopers tegenwoordig ook in dit eens anti-westerse bolwerk voor vijf pond (ƒ2,50) aanbieden.

“Toen hij nog niet rijk was, haatte hij de staat. Het leger joeg altijd achter hem aan. Hij dook vaak onder bij ons thuis. Nu heeft hij een handel in keukenspullen en een taxi voor Russische toeristen. Dus heeft hij vergunningen nodig om nieuwe winkels en bedrijven te openen en hij knoopt relaties aan met de lokale overheid. Hij koopt ze om, natuurlijk.

Die ambtenaren zijn als was in zijn handen. Als je een baantje zoekt of een pasje nodig hebt om in het centrum met een fruitkar op straat te kunnen staan, regelt hij het voor je. Het is niet te geloven, maar de regering heeft net lampen in onze straat opgehangen.''

Eerst vertrouwde Nizar de zakenman niet. Daar heb je weer zo'n profiteur, dacht hij, die op houdt met schelden op de kapitalisten zodra hij over onze ruggen heen geld begint te verdienen.

Maar toen begon de zakenman gratis kliniekjes te bouwen. Ook geeft hij steeds meer geld aan de moskee. Nizar kreeg, behalve opslag, betere lesboeken voor de cursus. De cursisten betalen geen vijf pond meer per maand, maar vier. “Terwijl ze meer waar voor hun geld krijgen!” Het laatste nieuws is dat de zakenman mee wil doen aan de verkiezingen voor de wijkraad. “Bij Allah”, zegt Nizar, “ik denk dat ik maar op hem ga stemmen.”