Wij psychologen

Maarten Derksen: Wij psychologen. Retorica en demarcatie in de geschiedenis van de Nederlandse psychologie, 167 blz. RU Groningen, 11 september 1997. Promotores: Prof.dr. G.C.G. Dehue en prof.dr. P.J. van Strien.

In de moderne psychologie is er weinig plaats voor het historisch perspectief, maar er is wel een groeiende belangstelling voor de geschiedenis van de psychologie als vak en wetenschap. Trudy Dehue promoveerde zelf op een mooie studie over de strijd om de juiste, beste of minstens 'betere' methodologie voor de psychologie in Nederland ('De regels van het vak', Van Gennep 1990). Van Strien, die de grondlegger is van de vooral Groningse aandacht voor de geschiedenis, publiceerde in 1993 bij gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar een interessante bundel opstellen over 'Nederlandse Psychologen en hun publiek'(Van Gorcum 1993). Recent verscheen nog onder redactie van Jansz en Van Drunen 'Met zachte hand. Opkomst en verbreiding van het psychologisch perspectief' (De Tijdstroom 1996), dat al bijna een historische sociologie van de psychologie genoemd mag worden.

'Wij psychologen', de studie van Maarten Derksen, biedt tegen deze achtergrond in eerste instantie niet zo heel veel nieuws. Veel aandacht voor het werk van de grondlegger van de psychologie in Nederland, Gerard Heymans, die in 1890 in Groningen hoogleraar werd en in zijn eigen huis een psychologisch laboratorium inrichtte met zijn vrouw als vaste proefpersoon. Veel aandacht ook voor de opkomst van de psychotechniek en de beroepskeuze-advisering als een van de eerste gebieden waar de psychologie praktisch werd. De bloeiperiode van de psychotechniek ligt tussen de beide wereldoorlogen.

Na de laatste wereldoorlog komt voor het beroep van psycholoog het accent steeds meer te liggen op de hulpverlening in de geestelijke gezondheidszorg (de psychodiagnostiek en de psychotherapie), maar hier verlaat Derksen het al door anderen redelijk plat getreden pad van de geschiedschrijving van het vak. Hij richt zijn aandacht op de academische kant van de psychologie en met name op de overgang van een meer fenomenologisch en 'Duits' georiënteerde psychologie naar een vrijwel volledig naar Amerikaans voorbeeld opgezette empirisch-analytische psychologie. Het beroemde boek 'Idolen van de psycholoog'(1964) van de jong gestorven Utrechtse hoogleraar Linschoten markeert voor hem het polemische keerpunt in het denken over de maatschappelijke identiteit en de wetenschappelijke toekomst van de psychologie. Dat moment is allerminst vergeten geraakt, 'Idolen van de psycholoog' wordt nog altijd tot de top van de Nederlandse psychologieboeken gerekend. Ook voor Derksen blijft Linschoten een 'idool', de “enige echte held van de Nederlandse psychologie”.

Dat klinkt spannend en Derksen vergelijkt Linschoten, die de publicatie van zijn meesterwerk zelf niet meer heeft meegemaakt, ook met Marilyn Monroe en James Dean (op de dag van zijn promotie had hij daar ook prinses Diana aan toe kunnen voegen), maar dat is uiteraard niet de boodschap van zijn proefschrift.

'Idolen van de psycholoog' betekende niet alleen de afrekening met een verouderde vorm van psychologie, maar vooral ook de verbreking van de band met het gezond verstand, de alledaagse wereld van de 'sensus communis'. De psychologie is geen verbetering van de intuïtieve, psychologische kennis die 'wij' allemaal hebben, maar een wetenschap die gebaseerd is op strenge regels van formalisering, kwantificering en toetsing. Het probleem van de psychologie is juist dat psychologen onvermijdelijk ook deel uitmaken van de wereld van de sensus communis, van het gezond verstand en van wat 'vanzelfsprekend' is. Wil de psychologie wetenschap zijn en als wetenschap vooruitgang boeken, dan kan ze haar huis niet bouwen op dit flinterdunne ijs van emoties, tradities en vooroordelen.

In het proefschrift van Derksen gaat het om het streven van de psychologie een eigen plek in de maatschappij en in de wetenschap te verwerven.Meer dan andere wetenschappen heeft de psychologie te kampen met het probleem,dat het object waar zij kennis over wil verwerven het bezit is van subjecten, die ook zelf over kennis menen te beschikken die psychologie genoemd zou kunnen worden. De 'Jan Blokkers' onder ons vragen de psychologie dan ook steeds wat ze eigenlijk te bieden heeft, dat we niet ook al zelf weten, en voorzover het iets anders of iets nieuws is, of we er ook werkelijk wat mee opschieten. Omgekeerd hebben psychologen vaak het gevoel dat de waarde en de echtheid van hun kennis miskend wordt en dat er veel te weinig gebruik gemaakt wordt van de kennis waar zij inmiddels over beschikken. Met die kennis zouden conflicten beter kunnen worden opgelost of zelfs kunnen worden voorkomen, is de kans groter dat bij beroepskeuze en personeelsselectie de juiste man op de juiste plaats terechtkomt, zullen fabrikanten hun spullen beter aan de man kunnen brengen en ouders niet meer vertwijfeld hoeven te raken over het gedrag van hun kinderen. Wetenschappelijke kennis leidt uiteindelijk tot maatschappelijk betere, want proefondervindelijk getoetste en uiteindelijk dus ook rationelere oplossingen.

Heymans was er nog niet op uit de verbinding tussen wetenschappelijke en alledaagse psychologie te verbreken. Hij ging er nog van uit dat 'wij allen psychologen zijn', maar dat het de taak van de psycholoog is de intuïtieve, alledaagse kennis te corrigeren en te systematiseren, orde en regelmaat aan te brengen in wat nu nog beheerst wordt door chaos, onzekerheid en verwarring. Om dat te kunnen doen is experimenteel onderzoek nodig in de rustige setting van een laboratorium. Zijn eigen psychologische laboratorium, geïsoleerd voor licht en geluid, symboliseerde de (natuur)wetenschappelijkheid van de moderne psychologie en grensde de eigen wereld van de psychologie als wetenschap ook fysiek af van het leven van alledag.

De psychotechnici van de jaren twintig en dertig hadden al hogere pretenties. De psycholoog was er niet alleen om intuïtieve kennis een zekere basis te verschaffen, maar was bij uitstek ook degene die deze kennis praktisch zou moeten toepassen. De wetenschappelijke grenzen werden ook deskundigheids- en beroepsgrenzen, uiteraard met de bijbehorende grensgevechten met al gevestigde beroepsgroepen. Begrippen als 'leek' of 'amateur' waren niet meer onderscheidend genoeg, de niet-psychologen werden nu 'beunhazen' die zich van 'prutsmethoden' bedienden. Om het onderscheid aan te scherpen werd een eigen beroepsvereniging van 'praktizerende psychologen' opgericht (de voorloper van wat nu het Nederlands Instituut van Psychologen is). Wat nog ontbrak, was de wettelijke erkenning en daarmee de vestiging van een echt beroepsmonopolie.

Linschoten sluit de cirkel van de afgrenzing van de psychologie als eigen wetenschap door de psychologische beroepsuitoefening te binden aan de resultaten van een wetenschap, voor welke de wereld van de common sense alleen nog als onderzoeksobject interessant is. Dat is ook nu nog zo. Anders dan de geneeskunde of de sociologie - om maar eens twee heel verschillende gebieden aan de andere kant van de grens te noemen - is de psychologie erg geneigd tot autarkie: psychologen maken bij voorkeur en vaak uitsluitend van werk van andere psychologen gebruik, niet alleen in het onderzoek, maar ook in de beroepspraktijk. Dat geldt ook voor dit proefschrift, dat daarom in een aantal opzichten beperkter en beknopter is dan met een wat ruimere blik mogelijk zou zijn geweest.

Veel van dat bezwaar valt overigens weg tegen het plezier dat het lezen van dit boek oplevert. Voor iemand die voorzover ik weet nog niet veel heeft geschreven, is dit een opmerkelijk soeverein geschreven boek, trefzeker in de formuleringen, een mooie combinatie van analyse en essay. Heel mooi laat Derksen zien hoe sterk juist een door zijn object 'gehinderde' wetenschap als de psychologie door demarcatieproblemen bepaald wordt, ten opzichte van het grote publiek, van concurrerende beroepsgroepen en al gevestigde wetenschappen.De charme van het boek zit vooral in het ontmaskeren van de retorische trucjes die in de grensgevechten gebruikt worden. De wens een eind te maken aan de overal heersende 'verwarring' blijkt een continu thema te zijn in de legitimering van de psychologie als wetenschap. 'The unbearable darkness of being' bepaalt de missie van de psychologie.