Warme dino's; Reputatie van Tyrannosaurus Rex ligt onder vuur

Van saai en traag zijn de dinosauriërs geëvalueerd tot opwindend en dynamisch. In de huidige visie zijn het dieren met een sociaal leven, en met broedzorg. Sommige zijn zelfs warmbloedig.

The Lost World, de tentoonstelling, Museon Den Haag, t/m 25 januari 1998, di t/m vr 10.00 tot 17.00 uur. Zaterdag, zon- en feestdagen 12.00 tot 17.00 uur.

HOEVEEL ONZIN zit er in 'The Lost World', de nieuwste film van Steven Spielberg die afgelopen donderdag in première ging? Niet zo veel volgens Anne Schulp, vijfdejaars student paleontologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en een van de weinige dinosaurusexperts in Nederland.

Schulp heeft maar één fout kunnen ontdekken in de film. In de scène waarbij een Tyrannosaurus rex een groepje mensen najaagt. Een van de bad guys struikelt en verdwijnt luid krijsend onder een enorme voetzool.

“Maar van fossiele afdrukken weten we dat de poot van T. rex niet groter was dan 60 tot 70 centimeter. Daar maakt Spielberg dus een fout. Wil je een mens helemaal verpletteren dan moet je al aan gigantische beesten als de Seismosaurus of de Supersaurus denken. Dat zijn de grootste planteneters die de aarde ooit heeft gekend”, aldus Schulp.

Ook in de film Jurassic Park zaten een paar 'schoonheidsfoutjes'. De Velociraptors, de intelligente jagers met hun vlijmscherpe klauwen, waren twee zo groot als in werkelijkheid. En T. rex denderde met een onmogelijke snelheid achter een jeep aan. Het beest zou maximaal 75 km/uur kunnen halen, beweerde dr. Robert Bakker, paleontoloog aan de Yale University en adviseur van Spielberg. De Britse biomechanicus prof.dr. R.

McNeill Alexander deed dat af als klinklare onzin. De botten zijn niet op zulke snelheden berekend, schreef McNeill Alexander vorig jaar in Nature. De krachten, die toenemen met de snelheid, zouden dan zó groot zijn dat er haarscheurtjes in het bot verschijnen. Bovendien, zo beweerde McNeill Alexander, loopt T. rex het gevaar dat hij zijn zwakke borstkas beschadigt als het rechtoplopende dier bij een snelheid van 75 km/uur struikelt. Dus: Tyrannosaurus was niet goed in het achtervolgen van jeeps. Zijn maximale snelheid kwam volgens de Brit niet boven de 25 km/uur. “Dergelijke fouten en speculaties zie je niet alleen terug in de film, ze horen bij ons vak. Nieuwe ideeën groeien als appels aan een boom. Dat maakt het juist zo spannend”, zegt Schulp. Of, zoals de Britse paleontoloog Alan Charig vorig jaar juni in Nature schreef: “De meeste aspecten van dinosauriërs zijn overladen met controverse, bijvoorbeeld hun oorsprong, tweevoetigheid, fylogenie en warmbloedigheid. Ook de oorsprong van de vogels uit de dinosauriërs en de manier waarop dinausauriërs zijn uitgestorven is omgeven met mysteries, dat maakt hen juist zo fascinerend.”

Behalve die te grote voetzool van T.rex kan Schulp zich geen grove fouten uit 'The Lost World' herinneren. Tenminste, hij zou het geen fouten willen noemen. Eerder plausibele speculaties. Waarom zou bijvoorbeeld de Pachycephalosaurus niet rood gekleurd kunnen zijn, zoals in de film. Er is geen enkele aanwijzing dat het werkelijk zo was, maar het zou kunnen. De acht meter grote planteneter viel volgens Schulp toch al op door zijn lange, plankvormige hoofdkam waarmee hij waarschijnlijk - wederom speculatief - lage tonen uitstootte.

“Met dat lawaai trok hij veel aandacht. Dus waarom zou hij niet ook een opvallende kleur kunnen hebben”, aldus Schulp die ooit een demonstratie bijwoonde van een paleontoloog die de hoofdkam met zijn complex geheel van buizen en kamers had nagebouwd met PVC-pijpen. “Het instrument produceerde een diepe toon, het leek op een trombone. Volgens een van de hypotheses gebruikte Pachycephalosaurus zijn kam om vrouwtjes te lokken tijdens de bronst.”

En is het onmogelijk dat Compsognathus zijn prooi met een beet vergiftigde, zoals sommige slangen doen?

De 60 centimeter grote dinosauriër die in grote groepen jaagde wachtte vervolgens op een afstandje totdat het slachtoffer te zwak was om nog weerstand te bieden (dit komt in de film niet duidelijk uit de verf, maar wordt in het boek The Lost World van Michael Crichton beter uitgewerkt). Of velde Compsognathus zijn prooi op een andere manier? Schulp: “Er is geen fossiel materiaal dat de aanwezigheid van giftanden ondersteunt. Maar ja, zulke tanden suggereren klieren. En die fossiliseren niet. Je kunt de aanname dus niet honderd procent uitsluiten. Het klinkt in ieder geval spannend.”

Controverses zijn er al sinds de eerste dinosauriër zijn naam kreeg, 150 jaar geleden. De vrouw van de Britse amateurpaleontoloog Gideon Mantell vond langs een plattelandsweggetje een paar fossiele tanden die door haar man werden toegeschreven aan een prehistorisch reptiel. Hij gaf het dier de naam Iguanodon (leguanentand). Het zou om een hagedis gaan.

De poten van het dier werden aan de zijkant gedacht, en hij droeg een opvallend hoorntje op zijn kop. Zo'n twintig jaar later omschreef Sir Richard Owen de Iguanodon als een dinosauriër. Owen bedacht de naam dinosauriër, wat 'verschrikkelijke hagedis' betekent. Een expeditie in een kolenmijn in het Zuidbelgische Bernissart bracht een volledig skelet van Iguanodon aan het licht. Dat was in 1878. Sindsdien weten de paleontologen dat de planteneter een echte dinosauriër is. De poten zitten ònder zijn lijf. Uit het skelet leidde men af dat het dier zowel op vier als op twee poten kon lopen. Het hoorntje zat trouwens niet op zijn kop, maar aan zijn duim, als een stekel. Die wordt tot op de dag van vandaag gezien als een geducht verdedigingswapen waarmee hij belagers ernstige verwondingen kon toedienen.

“Aan bijna alles is in de afgelopen eeuw getwijfeld”, zegt drs. Eric Mulder van het Museum Natura Docet in Denekamp. “Zelfs aan de afstamming van de twee grote groepen dinosauriërs, de Ornitischia en de Saurischia.”

In het Laat-Trias, zo'n 225 miljoen jaar geleden, begon de opmars van de Dinosauria. De landmassa vormde één groot continent, Pangea genaamd. Tijdens het Jura (208 tot 145 miljoen jaar geleden) splitste Pangea zich weer. De Dinosauria breidden zich langzaam verder uit en bereikten tijdens het Krijt (144 tot 65 miljoen jaar geleden) hun grootste diversiteit.

Ze waren er in alle maten, van 60 centimeter tot 25 meter, van 2 kilo tot 30 ton. Planteneters en vleeseters, lopend op twee of op vier poten.

De onderverdeling van de Dinosauria in Ornitischia en Saurischia baseert zich op de vorm van het bekkengordel. Bij beide groepen bestaat dat uit tweemaal drie botten: schaam-, zit- en darmbenen. Maar de Saurischia hebben een zogenaamde hagedisheup waarbij het schaambeen naar voren steekt. Bij de Ornitischia wijst het naar achteren en heet het vogelheup. Zo'n heup geeft een dier meer bewegingsvrijheid en de mogelijkheid om op twee poten te staan. Tot aan het begin van de jaren negentig werden de twee groepen niet beschouwd als een verzameling verwante organismen. Ze zouden van verschillende richtingen afstammen en werden derhalve polyfyletisch genoemd. Het enige dat hen verbond was een aantal oppervlakkige kenmerken en de naam Dinosauria . “Maar inmiddels is vastgesteld dat de Ornitischia en de Saurischia een en dezelfde voorouder hebben. Ze heten nu dus weer monofyletisch”, aldus Mulder.

De stand van het schaambeen speelde ook een grote rol bij de discussie over de afstamming van de vogels. “Je zou verwachten dat de vogels zijn geëvolueerd uit de Ornitischia, maar het lijkt er toch op dat ze zich ontwikkelden uit de Therapoda, een groep vleesetende Saurischia waartoe onder andere de Velicoraptors hoorden.

Mulder: “Uit reconstructies blijkt dat bij sommige groepen de stand van het vooruitgestoken schaambeen gedurende de evolutie veranderde. Het boog langzaam naar beneden en vervolgens naar achteren. Daarom willen sommige paleontologen een duidelijkere indeling van de Dinosauria die zich niet alleen baseert op de heupgordel.”

Indelingen zijn volgens Schulp vaak nog een rommeltje. Bijvoorbeeld die van de Titanosauriërs, een groep planteneters uit het Laat-Krijt. “Er is nog nooit een compleet skelet gevonden.

Je moet alles reconstrueren aan de hand van verspreid liggende onderdelen. De ruggewervels die je op de ene plek vindt, moet je combineren met een dijbeen van een andere plek”, aldus Schulp die Titanosaurus-resten vond in Zuid-Frankrijk en Noord-Spanje. Afgelopen woensdag werd hij door een Amerikaanse collega gevraagd om mee te doen aan een expeditie in Bolivia. De paleontologen hopen daar resten van Titanosauriërs te vinden. “Afgelopen zomer is in Zuid-Frankrijk een schouderblad gevonden van een Titanosauriër. We kunnen hieruit voor het eerst afleiden dat het dier beschermd zou worden door een soort pantser. Zeer ongebruikelijk voor deze dieren. Wellicht dat we weer een nieuwe indeling van de Titanosauriërs moeten maken.”

Indelingen kunnen door nieuwe vondsten flink in de war worden geschopt, zoals bleek uit een publicatie die vorig jaar in Science verscheen.

Paleontologen van de University of Chicago beschreven een schedel die ze tijdens opgravingen in Marokko hadden ontdekt. Hij was ruim anderhalve meter lang en ongeveer 90 miljoen jaar oud. De schedel behoorde tot een nog onontdekte soort die de naam Carcharodontosaurus kreeg.

Volgens de reconstructie kon het dier 14 meter lang worden en woog het zeven ton. Daarmee zou hij T. rex onttronen als grootste vleeseter aller tijden. “Vooral van de vleeseters worden de laatste jaren fossielen gevonden die niet in het bestaande stramien passen. Dat vraagt om voortdurende aanpassingen van de indelingen”, aldus Mulder.

De reputatie van T. rex ligt om meer redenen onder vuur. De Amerikaan Jack Horner beweert sinds kort dat de vleeseter wellicht helemaal geen gedachtenloze moordmachine was.

Horner ziet hem vanwege zijn uitzonderlijke geurwaarneming eerder als een aaseter die net als jakhalzen en gieren op grote afstanden kadavers kon ruiken.

Een van de grootste controverses van de afgelopen twintig jaar is de vermeende warmbloedigheid van de Dinosauria. Het was Robert Bakker, het enfant terrible van de paleontologie, die begin jaren zeventig de knuppel in het hoenderhok gooide. Tot dan toe werden dinosauriërs gezien als koudbloedige, saaie en trage wezens. Bakker beweerde anders. Volgens hem was er maar een ding waardoor de Dinosauria zo lang konden overheersen: warm bloed. Bakker had zijn reden voor die bewering. Op sommige fossiele vindplaatsen trof hij een opmerkelijke verhouding aan tussen predator en prooi. Hij zag opvallend veel prooiresten, veel meer dan hij vermoedde op basis van het aantal gevonden, koudbloedige vleeseters. De Amerikaan kwam toen op het idee dat er wellicht warmbloedige dinosauriërs hebben bestaan. Endothermie vraagt een hoge voedselconsumptie.

Viervijfde van het dieet wordt gebruikt om de inwendige temperatuur op peil te houden. Bakker werd in eerste instantie verketterd. “Maar nu lijkt men het er toch over eens dat er warmbloedige dinosauriërs hebben bestaan”, zegt Schulp. “Met name binnen de Theropoda. Op basis van het model van de benen kunnen we concluderen dat ze een actieve levensstijl hadden. Het korte dijbeen, het wat langere scheenbeen en de naar verhouding lange middenvoetbeentjes doen denken aan een actief beest.

Een dier dat veel loopt, zoals een struisvogel. Dieren die sjokken hebben een lang dijbeen, een even lang scheenbeen en sterk gereduceerde middenvoetbeentjes. Kijk naar de olifant. Bovendien droegen de vleeseters klauwen, het waren jagers. Het achtervolgen van een prooi kan veel energie vragen.''

Ook de botstructuur van sommige dinosauriërs wijst in de richting van warmbloedigheid. De botten van huidige warmbloedige dieren zijn opgebouwd uit een centraal kanaal waar bloed doorheen stroomt, het kanaal van Havers. Daar omheen liggen compacte beenachtige lamellen. Moderne koudbloedige dieren bezitten die kanalen niet. Het bot kenmerkt zich door een ongelijkmatige groei gedurende het jaar. Warme en koude seizoenen zijn terug te vinden in de botten die, net als bomen, groeiringen vertonen. In het bot van bijvoorbeeld de Iguanodon, die 130 tot 115 miljoen jaar geleden leefde, zijn dergelijke groeiringen aangetroffen. Maar er zijn ook dinosauriërs waarbij het typische Haversiaans bot werd aangetroffen. Bijvoorbeeld in een rib van een Baryonyx, een viseter die 120 tot 115 miljoen jaar geleden leefde.

Inmiddels is het beeld van de dinosauriërs totaal veranderd. Van saai en traag, naar opwindend en dynamisch.

Het zijn dieren geworden met een sociaal leven. En met broedzorg, zoals onder andere blijkt uit de ontdekking van Jack Horner. Tijdens een opgraving in Montana stootte hij op fossiele resten van een nest. Uiteindelijk vond hij veertig nesten bij elkaar, op een oppervlak van 1 hectare. Ze waren van Maiasara ('goede-moeder-hagedis'), een acht meter lange planteneter die zo'n 75 miljoen jaar geleden leefde. Het dier vormde kuddes van misschien wel 10.000 exemplaren.

Maiasaura bouwde ondiepe kuilen met een opstaande rand van modder en stenen en een doorsnee van ongeveer 2 meter. De legsels bevatten tot 25 eieren die in een cirkel lagen. Horner trof ook plantenresten aan tussen de eieren. Volgens hem reguleerden de Maiasaura de temparatuur in het nest op een manier die we nu kennen van de Australische thermometervogel. Ze stapelden plantenresten op en vormden een warme composthoop boven op het nest.

Mulder: “Van de gepantserde Triceratops zijn ook sporenpatronen gevonden die wijzen op bescherming van de jongen. In het midden van zo'n patroon zie je kleine sporen van de jonge dieren, daar omheen de grote van de volwassenen. En daar buiten vind je drietenen van aanvallende vleeseters.”

Er zijn nu zo'n 800 soorten dinosauriërs bekend. Om de haverklap komen er nieuwe bij. Schulp vond in februari tijdens een expeditie in Oman een wervel van een grote dinosauriër.

Hij vermoedt dat het een nieuwe soort betreft. Schulp: “Nieuwe vondsten, ideeën en speculaties maken ons beeld van het Tijdperk der Dinosauriërs steeds duidelijker. Om verder te komen kunnen we maar een ding doen, flink doorgraven.”

Acht skeletten

Het pregnante geluid is het meest opvallende aan de tentoonstelling 'The Lost World, Jurassic Park', die afgelopen donderdag werd geopend in het Museon in Den Haag. Met regelmaat klinken een denderend gestamp en een angstaanjagend gekrijs. Alsof er achter het volgende paneel een levende Tyrannosaurus rex of een Albertosaurus staat te wachten. De geluiden sturen je terug naar het Mesozoïcum, het tijdperk van de dinosauriërs.

Het Museon stelt acht dinosaurusskeletten ten toon, allemaal ongeveer 75 miljoen jaar oud. In eerste instantie zouden het er negen zijn, maar tijdens het uitpakken raakte een van de skeletten, dat van de Hypacrosaurus, beschadigd. Het is voor reparatie meteen retour gestuurd naar Canada Fossils Ltd., het bedrijf dat alle skeletten heeft aangeleverd.

De skeletten zijn afkomstig uit een reservaat in Montana waar ze zijn opgegraven door een groepje Blackfoot-indianen. Montana vormde 75 miljoen jaar geleden de kust van een ondiepe zee die Noord-Amerika van noord naar zuid in tweeën splitste. De oevers waren dicht begroeid met loofbomen en struiken, de temperatuur kwam zelfs in de winter niet onder de nul graden. Er leefden tientallen soorten dinosaurussen.

De tentoonstelling gaat in op intelligentie, voeding, gedrag en evolutie van de dinosauriërs. Waren ze koud- of warmbloedig, kenden ze sociaal gedrag, verzorgden ze hun jongen, waren de opvallende horens en kammen van de Hadrosauriërs bedoeld als dreigmiddel of om te pronken naar de andere sekse? En hoe krijg je uit een chaos van botten en botfragmenten een prachtig skelet zoals dat van de Euoplocaphalus tutus, een zwaar bepanterde planteneter met beenplaten, rugstekels en een knots aan de staart.

Er is een grappige animatiefilm over het fossilisatieproces van een speelgoeddino, op een tv-scherm wordt de snelheid van een Albertosaurus uit de doeken gedaan, computers gunnen de bezoeker een spannende wandeling door een Krijt-landschap. Iedereen kan zelf afgietsels maken van pootafdrukken, tanden en uitwerpselen.

De tentoonstelling biedt een mooie vogelvlucht over het tijdperk van de dinosauriërs. Helaas is het einde snel bereikt en beklijft ook door de afwezigheid van een natuurlijke omgeving een wat onbevredigend gevoel. Gezien alle ophef die er is gemaakt rond 'The Lost World' is dat teleurstellend.

Hadro's in Holland

Rudy Dortangs groef afgelopen april een fossiele, ruitvormige tand op in de groeve Blom, vlakbij Maastricht. De amateur-paleontoloog toonde het fossiel aan medewerkers van het Natuurhistorisch Museum in Maastricht, die meteen zagen dat het een restant was van een hadrosauriër, een plantenetende dinosauriër. Hadrosauriërs kenmerken zich onder andere door een batterij ruitvormige tanden, vaak honderden stuks, waarmee ze hun plantaardig voedsel als een kameel vermalen. De vondst van Dortangs is de vijftiende aanwijzing dat er ooit dinosauriërs over Nederlandse bodem hebben gewandeld.

Nederland heeft nooit een uitgebreide dinosaurusfauna gekend. Het grootste deel van het Krijt (144 tot 65 miljoen jaar geleden) stond ons land onder water. De kustlijn liep van het Sauerland via het Zwarte Woud naar het Boheemse massief.

Af en toe zakte de zeespiegel en vormden zich eilandjes voor de kust. Zo nu en dan hebben zich dinosauriërs naar zo'n eiland gewaagd. Sommige zijn er gestorven, getuige de fossielen die men af en toe opgraaft.

In de afgelopen 115 jaar zijn er in Nederland 15 dinosaurusresten opgegraven.

Fragmenten van een achterpoot, middenvoetbeentjes, stukken wervels en een stuk uit een onderkaak. Ze zijn allemaal afkomstig uit het Maastrichtien, de periode die de laatste vijf miljoen jaar van het Krijt beslaat. De meeste fragmenten zijn toegedicht aan Telmatosaurus, een primitieve Hadrosauriër van ongeveer 7 meter lang. Eén fragment, een stuk van een onderkaak, stamt van een vleeseter, maar het is niet duidelijk welke.

De tand die Dortangs opgroef lijkt niet op die van een Telmatosaurus. Waarschijnlijk komt hij van een andere Hadrosauriër, maar welke is niet duidelijk. Er zijn tot op heden zo'n zestig verschillende soorten bekend. Hadrosauriërs kenmerken zich door een opvallende eendensnavel en veel soorten dragen een hoofdkam die per soort nogal varieert in kleur en vorm.

De paleontologen van het Natuurhistorisch Museum hebben afgietsels gemaakt van de door Dortangs opgegraven tand. Die zijn naar twee Hadrosaurus-experts gestuurd. De een naar Baltimore (Amerika), de ander naar Cambridge (Engeland).

De experts hebben nog geen uitsluitsel gegeven. De Maastrichtenaren hopen dat het om een nieuwe soort Hadrosauriër gaat.