Vooroordelen over schoolkinderen die dialect spreken

NIJMEGEN, 27 SEPT. Kinderen die dialect spreken zijn dommer, minder beschaafd en minder beleefd dan kinderen die algemeen beschaafd Nederland (ABN) praten. Dat denken althans docenten en leerkrachten in het voortgezet onderwijs en op de basisscholen.

Als gevolg hiervan worden dialect-sprekende kinderen in groep 8 bij twijfel eerder naar een lagertype middelbare school gestuurd dan ABN-kinderen, zo zegt de Emmense docent A. van Reydt. Hij onderzocht de beoordeling en onderwijskundige begeleiding van leerlingen met een dialect. Aanstaande maandag promoveert hij aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

Een leerkracht laat zijn advies over een geschikte vervolgopleiding afhangen van de vraag of het kind ABN spreekt of niet, aldus Van Reydt. “Hoe vaak het gebeurt, is niet te zeggen. Maar het is zeker dat leerkrachten hun advies ook baseren op hun vooroordeel dat kinderen met een dialect minder intelligent zijn.”

Van Reydt legde vijf op band gesproken teksten voor aan 38 proefpersonen: 15 leerkrachten uit de groepen 8 van basisscholen, 11 docenten uit het voortgezet onderwijs en 12 Pabo-studenten; allen uit Emmen.

De eerste en de laatste tekst werden gelezen door hetzelfde meisje - de eerste keer in dialect, de laatste keer in algemeen beschaafd Nederlands. Vervolgens beoordeelden de proefpersonen de sprekers van de teksten op kenmerken als intelligentie, betrouwbaarheid en beschaafdheid. Volgens de leerkrachten was het meisje van de eerste tekst aanzienlijk minder intelligent dan het meisje van de vijfde tekst. Van Reydt: “En het betrof dus hetzelfde meisje. Alles was hetzelfde, behalve het feit dat ze Drents sprak. Het verschil in waardering is gewoon terug te voeren op de invloed van de taal.”

De promovendus vertelde de leerkrachten van tevoren niet aan wat voor onderzoek ze meededen.

Dat kon niet, aldus Van Reydt, omdat alle docenten en leerkrachten krachtig bestrijden dat ze vooroordelen hebben ten opzichte van kinderen met een dialect. “Ze handelen en denken derhalve heel anders dan ze doen voorkomen.”

Inmiddels heeft hij een aantal boze reacties gehad van leerkrachten die ten stelligste ontkennen dat er sprake zou zijn van vooroordelen. De resultaten geven hem echter gelijk, vindt Van Reydt.

“De leerkrachten konden elf kenmerken van de sprekers beoordelen. De dialect-sprekende kinderen scoorden in tien van de elf gevallen minder goed, en in zeven gevallen daarvan zelfs significant minder goed. Het slechtst scoorden ze op 'intelligentie'.”

In kringen van taalkundigen bestaat het idee dat de tolerantie ten opzichte van het dialect toeneemt.

Daarvan is helemaal geen sprake, vindt Van Reydt. Het enige punt waarop de dialect-sprekende kinderen beter scoorden, was het kenmerk 'humor'. Dat klopt aardig met het algemene beeld, vindt de promovendus. Plat sprekende mensen worden gezien als enigszins sullige, grappige mensen.

“Kijk naar de schaatser Erik Hulzebosch; die past goed in zo'n plaatje. En neem dat meisje dat eerder dit jaar door de KLM werd geweigerd, omdat ze geen ABN zou spreken. De tolerantie neemt helemaal niet toe.”

Het valt niet te verwachten dat het de komende jaren beter zal gaan. De Pabo-studenten, door Van Reydt toegevoegd om te onderzoeken of de jeugd anders over dialect denkt dan de oudere docenten, waren negatiever in hun oordeel dan de leerkrachten.