Riki Simons debiteert over kunstsubsidie totale onzin

Onder de kop 'Subsidiecir cuits verstikken de kunst' schetst Riki Simons, auteur van het boek De gijzeling van de beeldende kunst, een desolaat beeld van de Nederlandse beeldende kunstwereld (NRC Handelsblad, 20 september). De Nederlandse kunst is in zijn inhoudelijke ontwikkeling vastgelopen, er is geen levendig klimaat onder kunstenaars, de kwaliteit deugt niet, kunstenaars ontwikkelen geen professionele visie, in het buitenland is hun imago miserabel en neemt niemand hen serieus.

De oorzaak van deze treurnis is in de visie van Simons de staat. Die geeft aanhoudend subsidies aan door het publiek niet gewaardeerde kunstenaars. Zij worden geselecteerd door ambtenaren en hun werk wordt geëxposeerd in gesubsidieerde musea die, ook al met subsidie, voor veel te veel geld dat werk aankopen en daarmee de markt verzieken.

Gelukkig heeft Simons ook een oplossing: de markt. Kunstenaars moeten “overleven in de echte wereld” en musea moeten zich concentreren op “wat op eigen kracht komt bovendrijven”. Als de staat zich eenmaal terugtrekt, komen particuliere verzamelaars vanzelf tevoorschijn en dan loopt het weer als vanouds. We hebben hier te maken met een klassiek geval van kwakzalverij. Eerst de patiënt wijsmaken dat die ernstig ziek is, vervolgens een valse diagnose stellen en ten slotte met nepmiddelen een illusie verkopen.

Neem het “miserabele imago” in het buitenland en het vermeende gebrek aan vitaliteit. Nergens wordt duidelijk op grond van welke criteria of welk onderzoek Simons tot die constateringen komt.

Hebben wij dan geen Armando, Jan Dibbets, Rob Scholte, Rob Birza, Marijke van Warmerdam, René Daniëls, Aernout Mik, Ger van Elk, Marlene Dumas, Niek Kemps, Henk Visch en Rineke Dijkstra, om maar een paar namen te noemen? Hebben we geen Marina Abramovic, die op de laatste Biënnale van Venetië een Gouden Leeuw ontving, geen Pieter Laurens Mol die solo in het MoMa in New York exposeerde, en geen Inez van Lamsweerde die in Londen en New York hoge ogen gooit?

Zou het toeval zijn dat ze bijna allemaal wel eens met subsidies te maken hebben gehad, zoals ook alle grote Nederlandse schrijvers ooit met een werkbeurs van het Fonds voor de Letteren zijn begonnen? En wat de vitaliteit betreft, waarom informeert Simons niet eens bij de Rijksakademie van Beeldende Kunsten of de Jan van Eyckacademie, die ieder jaar overspoeld worden door buitenlandse kunstenaars die staan te dringen om naar binnen te mogen? Toch niet omdat het hier zo saai is? En ook niet om de subsidies, want die krijgen ze niet. Wemelt het in Nederland niet van de kunstenaars-initiatieven, die nationaal en internationaal grote activiteit vertonen?

Hoezo duffe boel?

Een overheid die de vitaliteit doodt, kunstenaars van hun professionaliteit berooft, de kwaliteit ondermijnt, de markt verziekt en het publiek wegjaagt, zou ook wel een heel sterke positie in de kunstwereld moeten hebben. Dat is dan ook wat Simons beweert. Sinds 1945 zou de markt voor eigentijdse kunst worden gedomineerd door een actief verzamelende en aankopende overheid. Ambtenaren, zo schrijft zij, bepalen de prijs en selecteren “een hobbyclub met 1.500 leden, die hun inkomen, met jaaromzetten van gemiddeld 80.000 gulden vrijwel geheel van de staat krijgen”.

Dit is een mythe. In de podiumkunsten komt zeker driekwart van het aanbod van ongesubsidieerde instellingen en personen en zelfs in de, relatief zwaar gesubsidieerde, sector van de hedendaagse beeldende kunst is bij lange na geen sprake van een dominerende staat. Al enige jaren wordt door de Universiteit van Amsterdam onderzoek gedaan naar de omzetten in de beeldende kunst en de inkomenspositie van kunstenaars.

Over 1995 komt men daarbij op ruim 350 miljoen omzet, waarin inbegrepen 36 miljoen individuele subsidies voor kunstenaars: dik 10 procent van het totaal. Een monopolist heeft een heel ander marktaandeel!

Het totale rijksbudget voor beeldende kunst beloopt momenteel circa 110 miljoen, inclusief de 34 miljoen voor kunstuitleen en manifestaties, inclusief de fondsen en inclusief de budgetten voor instellingen als de Rijksakademie en het Nederlands Fotoinstituut. Zelfs als ik dat allemaal meetel, kom ik nog niet verder dan een staatsaandeel van 30 procent. Wat Simons beweert is totale onzin.

Ook de 'subsidieloopbaan' van beeldend kunstenaars waar Simons over schrijft, is een hardnekkige mythe. Berekeningen over negen jaar subsidieverlening door het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst wijzen uit dat de gehonoreerde kunstenaars gemiddeld 1,75 keer een subsidie hebben ontvangen. Het leeuwendeel daar van wordt gevormd door beroepskostenvergoedingen van 5.000 gulden per stuk. Natuurlijk kunnen die kunstenaars tegelijkertijd uit andere overheidspotten geld krijgen. Maar uit onderzoek van het Instituut voor sociaal-wetenschappelijk advies (IVA) blijkt dat die overlapping zeer gering is. Per jaar doen meer dan 2.000 kunstenaars een beroep op de regelingen. Voor 95 procent van hen geldt, dat er maar van één instrument gebruik wordt gemaakt, en zeker niet ieder jaar. Het is ook zeker niet steeds dezelfde groep, zoals Simons schijnt te denken. In de periode 1990-1993 zijn ruim 4.600 kunstenaars in aanmerking gekomen voor gebruik van een der rijksinstrumenten. Het Fonds BKVB telt nu meer dan 4.000 beeldend kunstenaars, die ooit een keer gesubsidieerd geweest zijn. Daar kan men tegen zijn. Maar men kan niet volhouden dat het een klein clubje bevoorrechten is, en al helemaal niet dat de leden van te club er met grote bedragen vandoor gaan.

Nadat Simons de patiënt aldus ziek heeft gepraat en de valse diagnose heeft gesteld, produceert ze een enorme zeepbel waarin de oplossing besloten ligt: de markt. Dat is de echte wereld, waarin komt bovendrijven wat goed is. Dankzij de markt komt het publiek weer kijken en gaan verzamelaars weer kopen. Het enige wat de overheid moet doen, is fiscaal een beetje bijsturen naar Amerikaans model - want daar is alles beter. De randvoorwaarden voor een dergelijke bijsturing zijn in Simons' boek dat de kunst oorspronkelijk moet zijn en over visuele overtuigingskracht beschikt. Een terugkeer naar de traditie van realistisch werk is uit den boze.

Maar dan geeft Simons een paar spraakmakende voorbeelden van hoe het niet moet. Ze noemt kunstenaars die in haar ogen niet meer zijn dan artisans, knutselaars dus.

Laten die nu allemaal op de markt zeer succesvol zijn! Juist om te voorkomen dat het zo eenzijdig wordt hebben we in Nederland een overheid die marktaanvullend optreedt en bij de uitvoering van zijn beleid op de achtergrond blijft.

Neutraal, voorwaarden scheppend, zoals ook Simons bepleit.

Een overheid bovendien, die veel beter dan Simons begrepen heeft dat de markt zó beperkt is, dat een groot aantal kunstenaars, en niet per definitie de minsten, het daar simpelweg niet redden.

Het is overheidsoptreden dat hier creativiteit en diversiteit bevordert en verschraling en eenzijdigheid voorkomt. Zo ontstaat een prachtig systeem met aantoonbaar succes, dat het niet verdient zo ongegrond en met inspelen op volkse ongenoegens onderuit gehaald te worden.