Niks hoogconjunctuur

In tijden van economische groei kiezen jongeren voor andere beroepen dan het leraarschap. Aldus een Engels onderzoek, verricht in opdracht van Times Educational Supplement. Ritzen grijpt dit aan ter verklaring van de geringe animo onder jongeren om in het onderwijs te gaan werken, terwijl hij er toch alles aan heeft gedaan om het beroep weer aantrekkelijk te maken.

Als Ritzen serieus meent dat hij ons dit kan wijsmaken, veronderstelt hij bij u en bij mij een gebrekkig geheugen. In de jaren zeventig, toen de bomen van de welvaart en werkgelegenheid tot de hemel reikten, was de belangstelling voor het leraarschap overweldigend.

Er werden door het hele land nieuwe, tweedegraads opleidingen opgericht, de universitaire lerarenopleidingen barstten uit hun voegen, het leraarschap beleefde een ongekende populariteit.

Toen begin jaren tachtig het economisch tij begon te keren, is het Ritzens voorganger Deetman gelukt het leraarschap in een paar jaar tijd van zijn aantrekkelijkheid te beroven. De salarissen voor beginners werden met tientallen procenten verlaagd, door schaalvergroting werd de werkgelegenheid nog eens extra teruggebracht, aan het eind van ieder schooljaar kregen de jongeren te horen of en voor hoeveel uur ze het volgende jaar te werk zouden worden gesteld. De wijze waarop onderwijs zijn jonge medewerkers behandelde, grensde aan sadisme. U denkt dat ik overdrijf, maar beoordeelt u zelf.

Invallers hebben het natuurlijk extra zwaar omdat ze voor kortere tijd nu eens hier en vervolgens weer daar werken. Niet alleen de leermiddelen zijn telkens nieuw, ook de leerlingen en de collega's. Wat nu bedacht de werkgever onderwijs? Invallers hoeven niet te vergaderen over zaken die spelen op de langere termijn, dus hebben ze het gemakkelijker dan vaste krachten, dus is er reden nog eens zo'n tien procent extra te korten op hun toch al karige beginnerssalaris. Hoe bedenk je het.

Het is niet de hoogconjunctuur en, daarmee samenhangend, de krappe arbeidsmarkt geweest die het onderwijs impopulair maakte, maar het waren de maatregelen die werden genomen ten tijde van de laagconjunctuur. Toen het slecht ging met wat later de BV Nederland zou gaan heten, heeft onderwijs zich een onbetrouwbare werkgever getoond. De salarissen en andere rechtspositionele regelingen, tot dan toe in overeenstemming met die van het overheidspersoneel, werden verslechterd.

De enigen die niet de dupe werden van deze maatregelen waren de ambtenaren in Zoetermeer die dit allemaal bedachten.

Het gevolg is geweest dat de lerarenopleidingen leegliepen. Die opleidingen begingen op hun beurt de stommiteit om in hun drang tot overleven iedereen toe te laten die ze maar konden krijgen. De opleidingen werden afvalbakken. Wie het nergens redde, kon altijd nog wel leraar worden. Dit heeft natuurlijk ook niet echt bijgedragen tot een beter aanzien van het leraarsberoep.

Alsof dit alles nog niet treurig genoeg was, mochten ambtenaren en politici van minister Ritzen de sector onderwijs ook nog eens gebruiken als speelvijver voor hun vrouwvriendelijke gedachtenspinsels. Hoogtepunt van politiek opportunisme was de verplichting in veel gemeenten om alleen maar vrouwelijke directeuren te benoemen. Dit omdat hun aantal niet in overeenstemming was met de sekseverdeling binnen de beroepsgroep. Dat het gros van de vrouwen erg jong was of part time werkte, daar hadden de beleidsmakers geen boodschap aan. De studentenpopulatie van de lerarenopleidingen is inmiddels welhaast ontmand.

Dat het beleid de laatste jaren is gewijzigd danken we aan dezelfde bonden die eerder de belangen van de jongeren hebben verkwanseld. Jongeren werden geen lid, de bonden vergrijsden, dus eiste het eigentijdse marktdenken dat de arbeidsvoorwaarden voor jonge docenten werden verbeterd. Niks hoogconjunctuur, niks ook verdienste van Ritzen.