Nederlandse herenboeren in Zimbabwe; Uitbuiters of ontwikkelingswerkers

In de jaren vijftig was elke blanke er welkom. Hij kon meteen als baas aan de slag. Maar toen Rhodesië na de burgeroorlog in 1980 werd omgedoopt in Zimbabwe, kwam er een einde aan zijn voorkeurspositie. Tegenwoordig worstelt de Nederlandse boer met zijn koloniale imago, terwijl zijn land elk moment kan worden onteigend. Op bezoek bij de families Funnekotter, Zee en Van Duren in Macheke.

Gerrit Zee, herenboer in Zimbabwe, kijkt om zich heen. De wevervogels in de palmen, aan de horizon streelt de zon de toppen van Nyanga, de grens met Mozambique. 'Eigen huis is goud waard', staat op een borduurwerkje op de veranda. “Tot dat kopje en dan die berg daar, het is allemaal van ons”, zegt Zee terwijl hij in de vallei wijst. Ons, dat is: Zee, zijn vrouw Jeannet en hun vier kinderen, die boeren op aangrenzend land.

De familie Zee bezit meer dan vijfduizend hectare, waarop tabak wordt verbouwd in de zomer, gerst in de winter, waar bonen groeien als kool en anderhalfduizend koeien grazen en waar in de grootste kas van Afrika asters worden gekweekt voor de Europese markt. Op het terrein wonen ongeveer vijfduizend landarbeiders en hun families, er is een winkel, een bierhal en een school met vijfhonderd leerlingen.

Zee (64) kwam in 1956 naar wat toen nog Zuid-Rhodesië heette, het diploma tropische landbouw op zak. Op de bonnefooi en zonder steun van de Nederlandse overheid, want hij was gezakt voor de psychologische test die je moest doen om een gesubsidieerde enkele vliegreis te krijgen. Zee was niet de enige die met boerenambities naar dit onontgonnen deel van de wereld trok.

Al gingen de meeste emigranten naar landen als Australië en Canada, tegelijk met Zee kwamen honderden Nederlanders naar Zuid-Rhodesië. Een jonge Britse kolonie waar niet te veel eisen werden gesteld aan de nieuwkomers. Zo'n tien Nederlandse families belandden vlak bij elkaar in het district Macheke, gelegen aan de voet van de Eastern Highlands. Een paar van die Nederlandse boeren in Macheke wisten zich staande te houden.

Veel immigranten uit Nederland hadden een Indisch verleden, waren gewend aan gesmeerde organisaties, een duidelijk onderscheid tussen landarbeider, mecanicien en opzichter. Die hebben het niet gered. In het onontwikkelde Afrika moest je al die kwaliteiten in je verenigen. De overgebleven oude garde van Macheke bestaat uit drie families: Zee, Van Duren en Funnekotter.

Daarnaast zijn er de Walravens en de Oostindiëns. Deze families hebben het Hollandse welvaren naar een van de meest vruchtbare delen van Afrika gebracht.

Ze wonen in twee valleien, gedomineerd door 'kopjes' groene gerstvelden en grazende koeien, waarin het water van de riviertjes door dammen wordt opgevangen. Zij hebben zo'n twaalf boerderijen, met namen als Springdale, Durlstone, Barrymore en Faroe. Een blanke, christelijke gemeenschap in vrijwillig isolement in Afrika. “Maar vergis je niet”, zegt Zee als hij later tussen zijn groene lanen vol rijpende bonen loopt. “Het is niet makkelijk geweest, met de burgeroorlog en al die droogtes.”

De Nederlandse families wonen en werken nu in een ander Afrika dan dat waar zij in de jaren vijftig naar toe gingen. Toen was elke blanke welkom, hij kon meteen aan de slag. Als baas. Blanken heetten nog superieur te zijn. Nu niet meer. In 1980 kwam er een eind aan de geprivilegieerde positie van de uit Europa afkomstige bewoners van Rhodesië, dat in hetzelfde jaar werd omgedoopt in Zimbabwe. Na een burgeroorlog van zeven jaar werd de macht aan de zwarte meerderheid overgedragen.

Sindsdien is de positie van de blanke boer niet meer heilig. Sterker: als het aan de regering van president Robert Mugabe ligt, wordt het land van overwegend blanke commerciële boeren in beslag genomen en verdeeld onder zwarte landlozen. Commercieel wil zeggen: boeren die op ferme stukken grond cashcrops verbouwen, gewassen als tabak, die veel geld opleveren. Er zijn er zo'n vierduizend en zij maken jaaromzetten die in de miljoenen guldens lopen.

Een Zimbabwaanse keuterboer (daarvan zijn er 800.000) zet aanzienlijk minder om en verdient als hij geluk heeft net genoeg om de monden van zijn familie te voeden.

De Nederlandse boeren van Macheke praten niet graag over hun leven en werk.

Dat is omdat ze in westerse ogen altijd aan de verkeerde, koloniale, kant hebben gestaan. En nog staan. “Mensen die hier komen, weten al van te voren dat wij uitbuiters zijn, die over de ruggen van die arme zwarten stinkend rijk zijn geworden”, zegt Mike van Duren (28) in een Nederlands met een sterk Engels accent.

Een reportage van de Duitse televisie, tien jaar geleden, heeft voor blijvende argwaan gezorgd. De beelden van Mercedes, zwembad en villa van de boeren in Macheke en de nogal elementaire omstandigheden van de zwarte landarbeiders waren scherp achter elkaar gemonteerd. De Nederlanders in Macheke waren boos en verbaasd. Zij vinden oprecht dat zij veel hebben gedaan voor Afrika. Zij hebben met risico's en leningen hun bedrijven opgezet en altijd hun kapitaal geïnvesteerd. Zij voelen zich juist 'onbetaalde ontwikkelingswerkers', omdat zij met hun Nederlandse en christelijke achtergrond uiteindelijk naar gelijkheid streven, tussen zwart en blank.

Chickens

Ook Wilty Funnekotter-van Kessel (62) weigert in eerste instantie te praten.

Maar uiteindelijk stemt ze toe. Een verzorgde vrouw die een beschaafd Nederlands spreekt, dat is blijven steken in een vorige druk van Van Dale. Met een rechte rug en de bijbel onder handbereik, zit ze schrijlings op de bank, haar knieën opgetrokken. Ze vertelt over de burgeroorlog, waarin zwarte guerrilla's streden tegen het blanke minderheidsbewind van premier Ian Smith.

Toen stonden de Nederlanders van Macheke ook aan de 'verkeerde kant'.

Terwijl in heel Europa Smith werd verafschuwd, vochten haar echtgenoot Herman en haar zonen in diens leger. Net als Gerrit Zee en diens oudste zoon. De meeste boeren van Europese afkomst deden - verplicht - mee aan de strijd tegen wat de blanke regering het 'terroristische en communistische gevaar' noemde.

Een andere optie was het land verlaten. Dat deden de 'chickens'. “Mijn man werd onregelmatig opgeroepen, mijn zonen waren tijdenlang permanent onder de wapenen”, vertelt Wilty Funnekotter terwijl ze een blik laat glijden over de familiefoto's aan de muur. Van haar pas overleden echtgenoot in zijn eerste zelfgebouwde boerderijtje, van haar zoon die in de jaren tachtig omkwam tijdens het speervissen in de Zambesi-rivier. “Natuurlijk hebben we overwogen om te vertrekken, dat deden anderen ook, maar mijn zonen sputterden tegen.

'Als jullie willen vertrekken, gaan jullie maar', zeiden zij. 'Wij blijven vechten, dit is ons land'.

''Ian Smith had in 1965 Rhodesië eenzijding onafhankelijk verklaard. De witte kolonisten voorkwamen zo de logische overgang naar een zwarte meerderheidsregering. Boycotten en internationale protesten volgden, Smith werd een van de grootste paria's ter wereld. Zeven jaar later begon de burgeroorlog. Zwarte guerrilla's vielen vanuit Zambia in het noorden Rhodesië binnen.

Blanke boeren waren het doelwit. De inzet van de burgeroorlog was land. De uitstekende grond, die de kolonisten zichzelf vanaf begin deze eeuw hadden toegeëigend, moest worden herverdeeld onder de oorspronkelijke bevolking.

Maar de blanken wilden niet wijken. Geen denken aan dat zij na al hun pionierswerk dit land, dat de zaaier een winter- en een zomeroogst schenkt, prijs zouden geven.

Wilty Funnekotter verbaast zich desondanks over de achteloosheid waarmee in haar gezin het gevaar werd aanvaard. Na twee jaar strijd lag Macheke zo'n beetje in de frontlinie. De generaals in de hoofdstad verklaarden de streek rond Macheke in 1976 tot operationeel gebied. In operatie Thrasher probeerde het Rhodesische leger een dam op te werpen tegen de guerrilla's, die nu ook oprukten uit Mozambique, dat in 1975 onafhankelijk was geworden van Portugal.

De Rhodesische boeren konden zich alleen nog in konvooien bewegen en hielden elkaar voortdurend radiografisch op de hoogte van dreigend gevaar. De weg naar het noorden, waaraan de Funnekotters hun boerderij hebben, was bezaaid met mijnen. Het gevaar schiep wel een band, natuurlijk. Hoe groter de angsten, hoe heftiger het Rhodesisch patriottisme. Ook bij de Nederlanders.

Funnekotter: “Achteraf denk je: waarom hebben we zoveel risico's gelopen?

Maar we deden het gewoon. We hadden sinds we in1956 kwamen zoveel opgebouwd.

Een paar vrienden hebben het niet overleefd. Ze sneuvelden in de strijd of reden op landmijnen. Mijn man reed ook op een mijn toen hij op weg was naar Herman van Durens boerderij, om daar de koeien te verzorgen. Bleek dat ze die mijn ondersteboven in de grond hadden gestopt, zodat hij niet afging.''

Herman van Duren (65), vol grijs haar en blosjes op de wangen, excuseert zich 's morgens om half negen voor zijn verschijning. Hij heeft net een kalf gehaald. “Meestal baren mijn koeien zelfstandig. Maar hier zat een poot klem.

'' Nadat hij zich heeft verkleed - ruitjeshemd, gestreken spijkerbroek - presenteert hij boterkoek op de overdekte veranda. Van Duren emigreerde twee keer naar Macheke.

“Ik woonde hier al meer dan tien jaar, toen ik in 1969 besloot om terug naar Nederland te gaan. Rhodesië was vier jaar eenzijdig onafhankelijk en ik vond dat niet goed. Je moest bij het Rhodesian Front van Ian Smith horen, anders telde je niet mee. Toen ik dat weigerde wilden sommige vrienden me niet meer bezoeken. Het kostte me ook klanten.”

Kurkdroge jaren

Op het moment dat hij vertrok, was Van Duren geen boer maar garagehouder. Hij had wel een boerderijtje aan de andere kant van Macheke, met een stuk of honderd koeien, maar dat was voor de lol.

Zijn geld verdiende hij met Dutch Motors, beneden aan de weg van Salisbury naar Umtali (nu Harare en Mutare). Driehonderd pond mocht Van Duren meenemen van Smith. Hij hield daarom zijn boerderij aan en besteedde de zorg uit aan zijn vriend Herman Funnekotter. De oorlog was nog niet begonnen, dus was er geen reden om Van Duren voor lafaard (chicken) uit te maken.

Van Macheke ging het naar Dronten. Daar, in de polder, zette Van Duren een keten garages op. Maar het was altijd haast en stress en dat beviel hem niks.

Eind jaren zeventig, toen hij wist dat de oorlog snel afgelopen zou zijn en Rhodesië een andere regering zou krijgen, keerde hij terug. Nu als full time boer. “Ik wilde weer in een land wonen waar mensen je goedemorgen wensen. Je leeft toch niet alleen om geld te verdienen? Hier heb ik een voller leven dan in Nederland. Ik heb Durlstone gekocht, deze boerderij, en niet lang geleden een aangrenzende farm. We leveren driehonderdduizend kilo tabak per jaar.” , Bijna één procent van de productie van Zimbabwe”, weet zoon Mike, landbouw-econoom en gestaag sigarettenroker.

De Nederlanders van Macheke zien elkaar met grote regelmaat, ze zijn goede vrienden. De ouders delen een gemeenschappelijk verleden, met een oorlog en - voor een boer even dramatisch - een paar kurkdroge jaren. Uit pure wanhoop experimenteerden zij met raketten die regen moesten opwekken. Natuurlijk vielen de buien vervolgens op de gewassen van de buurman. De kinderen zaten met elkaar op school. Op een enkele uitzondering na zijn alle kinderen gaan boeren. Gerrit Zee vertelt lachend hoe hij zijn vier kinderen naar alle hoeken van de wereld stuurde om ze aan de beste universiteiten te laten studeren.

Opdat ze zagen dat er meer was dan Zimbabwe alleen.

Ze zijn allemaal op het erf weergekeerd. Wilty Funnekotters wist alleen haar jongste zoon niet in Zimbabwe te houden. Na zijn studie medicijnen had ook hij boer willen worden, maar zijn vrouw, een Limburgse, kon niet aarden. Hij werkt nu als arts in Nijmegen. De keuze van dochter Margreet viel beter in de smaak.

Zij is getrouwd met Herman van Duren junior.

Alle generaties zien elkaar op de twee country clubs. Het culturele leven, zeker in het afgelegen Macheke, is schraal. Je amuseren doe je outdoors.

Tennissen in Macheke, golfen in het nabijgelegen Virginia, waar de greens en de teeboxes bij gebrek aan sproeiwater van zand zijn. “Op die clubs speelt ons sociale leven zich af”, zegt Funnekotter, “alle vergaderingen, feesten en partijen. Het is als vroeger de pastorie.” En elke donderdag is het bijbelstudie-avond ten huize van Wilty's zoon Ben. Wat hun oorspronkelijke belijdenis ook is, katholiek, protestant, hervormd of heiden, alle Nederlanders van Macheke noemen zich 'christen'. Ook de kinderen.

“Dat is de zegen van Zimbabwe”, verzucht Funnekotter, “dat ze gelovig zijn gebleven. Het zou in Nederland nooit zijn gelukt. Je zou moeten weten hoeveel ik bid voor mijn jongste en zijn kinderen, nu zij in Nijmegen wonen.”De Nederlanders in Macheke leven nog in de geest van de jaren vijftig. Vlijtig en dankbaar dat God ze in zo'n paradijselijk omgeving laat bloeien. De boerderijen met hun brede geboende gangen zijn sober ingericht. Hoewel de Nederlanders goed hebben geboerd, permitteren zij zich geen uitspattingen. Of het moesten de liefhebberijen van de drie aartsvaders zijn. Gerrit Zee heeft zijn poolbiljartkamer, Herman van Duren zijn keurig opgeruimde werkplaats waarin hij antieke auto's (er is geen roest in Zimbabwe) in ere herstelt, en Herman Funnekotter had zijn Afrikaanse vogels, van nijlganzen tot Kaapse kraanvogels.

Toch is het geluk nooit compleet. Want altijd is er dat flardje angst dat het land morgen wordt geconfisqueerd door de overheid. Die angst dragen zij mee sinds het land in 1980 een zwarte regering kreeg. Al viel het tot 1990 mee.

Robert Mugabe en zijn mannen hadden toegezegd in de eerste tien jaar van hun bewind geen land te zullen onteigenen. Daar hielden zij zich aan. Misschien was die toegeeflijkheid ingegeven door wat president Samora Machel van Mozambique aan premier Mugabe (hij zou pas later president worden) had geadviseerd: 'Zorg dat je de blanken houdt. Je hebt ze nodig voor je economie.'

Nooddruftigen

Ook zeventien jaar na de onafhankelijkheid is de witte boer nog altijd de spil van de Zimbabwaanse landbouw. Iets meer dan vierduizend commercial farmers verbouwen samen elf miljoen hectare van de beste grond op het vruchtbare hoogland. Hun farms zijn gemiddeld meer dan tweeduizend hectare groot. Zij zorgen voor zo'n veertig procent van het bruto binnenlands product.

In die zeventien jaar zijn er nauwelijks Afrikaanse boeren tot het gilde der commercial farmers toegetreden. Toch is sinds 1992 is geen blanke commerciële boer nog zeker van zijn land. In dat jaar werd de Land Acquisition Act aangenomen, die wil dat de helft van de elf miljoen commerciële hectares wordt onteigend en verdeeld onder honderdduizend landloze zwarte boeren.

Ongebruikte grond en land in handen van buitenlanders komen als eerste in aanmerking. De regering bepaalt de prijs. Tot nog toe is er nog niet veel van terecht gekomen. Maar een toespraak van president Mugabe half augustus, ter gelegenheid van Heroes Day, wijst erop dat de regering de wet nieuw leven in wil blazen. Hij kondigde aan dat nu 1.800 boerderijen (4,6 miljoen hectare) op de rol staan om onteigend te worden. De regering moet wel. Zij staat onder druk van een bevolking die sinds kort ongebreideld staakt en protesteert, vanwege vele niet nagekomen beloften. En de oudste belofte, uit de burgeroorlog, is: land voor allen.

Maar specialisten vragen zich af hoe Mugabe zijn woorden kan waarmaken. Sinds 1980 heeft de regering al 450.000 hectare land opgekocht, maar nauwelijks herverdeeld. Het bleek lastig en kostbaar om de commerciële boerderijen die werden aangewezen als 'resettlement-gebieden' in kleine kavels op te snijden.

Deze landoppervlakken hebben goede irrigatiesystemen, maar geen infrastructuur voor bewoners. Het aanleggen van wegen, huizen, winkels en scholen bleek onbetaalbaar. Volgens een voormalige hoge ambtenaar van het ministerie van landbouw goochelt de regering met getallen en beloftes om de bevolking niet te laten morren. “De toewijzing van land aan echte nooddruftigen is allang verleden tijd.”

Af en toe wordt een boerderij onteigend, maar dat land leasen hoge functionarissen dan aan zichzelf. Ik denk dat de regering nog steeds inziet hoe belangrijk de witte commerciële boeren zijn. Zonder hun wordt het hier een tweede Zambia of Tanzania.''

Het is in Zimbabwe nog altijd de overtuiging van velen, dat een Europeaan een betere boer is dan een Afrikaan. Een oordeel dat niet per se van blanken afkomstig is. “De zwarte boeren hier”, zegt de zwarte echtgenote van een van de weinige Afrikaanse commercial farmers in het land, “die investeren niet, maar trouwen zo gauw het kan een tweede vrouw en kopen voor haar een Mercedes.

” Herman van Duren weet een paar farms in de buurt die een onlangs door zwarten zijn gekocht, en nu alweer doorverkocht. Aan witten. “Ach, ze denken allemaal dat het zo makkelijk is, boeren.” Voor de zekerheid hebben de Nederlandse boeren van Macheke toch hun maatregelen genomen. “Buitenlanders mogen hier geen grond meer hebben, dus hebben we er een Zimbabwaans bedrijf van gemaakt”, vertelt Herman van Duren. Veel collega's hebben hun nationaliteit veranderd toen de wet werd uitgevaardigd. Van Duren niet.

Emotioneel: “Ik ben als Hollander geboren en ik zal als Hollander sterven.

Als ze het land willen inpikken, gaan ze hun gang maar. De dag dat ik wegga kan ik het ook niet meenemen.'' Zijn ogen echter vertellen dat zijn wortels diep in de grond van Durlstone zitten.

Van Duren acht de kans trouwens vrij gering, dat zijn land wordt aangewezen en opgekocht. Daarvoor is de staatsschuld te groot en de morrende bevolking te hongerig. Maar hij weet ook dat in Afrika de ratio niet altijd doorslaggevend is. Ook Gerrit Zee zegt zich niet druk te maken. Maar zijn boerderijen heeft hij overgedaan aan zijn kinderen, die voor de Zimbabwaanse nationaliteit kozen. “Als je te veel over de grondpolitiek gaat nadenken, krijg je slapeloze nachten. Sommigen proberen alles altijd een stap voor te zijn, door weer te emigreren enzo. Maar dit is Afrika, je ziet wel wat gebeurt. Als volgende week Mugabe wordt vermoord, bestaat de kans dat ik over twee weken het land uit moet.”

Wilty Funnekotter wil er niet aan denken, dat ze haar land zou moeten afstaan.

“Op dat kopje, bij die boom, ligt mijn echtgenoot. De boom is ooit geplant door mijn overleden zoon, en het was mijn mans wens om daar te liggen.” Er zijn plannen om haar zoon, die in de Zambezi is verdronken, naast haar echtgenoot te laten herbegraven. Onder de boom die hij zelf ooit plantte. “We hebben hem destijds in Harare te ruste gelegd. In de jaren tachtig wisten we niet hoe de situatie zich in Zimbabwe zou ontwikkelen. We wilden er toen zeker van zijn dat we zijn graf nog konden bezoeken, als het hier mis zou gaan.”