Mieke

Zonde. Dan heb je eens een kamerlid dat zich ontfermt over boogschutters en kogelstootsters en dan gaat ze rare dingen roepen. 'De partij is geschift. Ze kunnen mijn rug op. De imbecielen.' Of nog: 'Ik ben niet voor de kat z'n viool in die Kamer.'

Mieke Sterk is boos, nee, ze is hysterisch. De PvdA is niet erg gecharmeerd van haar kamerwerk. Ze bouwt geen draagvlak op in de fractie, is te veel met details bezig en het ontbreekt haar aan ambachtelijkheid. De partijleidig ziet weinig in haar voor de nieuwe Tweede Kamerfractie van mei 1989. Mieke schreeuwt het uit: 'Ik laat me niet door de partijbobo's uit de Tweede Kamer flikkeren.'

Deze week ging ze in Vrij Nederland in de tegenaanval. Een slagschip kliefde door de hoogste zeeën. Eerst dacht ik nog: ze heeft drank op. Gecombineerd met slaappillen. Maar ze bleef leeglopen, organisch geordend.

En toen de voormalige sprintster het interview besloot met de woorden 'Jeetje, wat moet je in de politiek een ontzettend lange adem hebben,' wist ik dat hier een mens uit de allerdiepste zieleroerselen had gesproken. Geen drank dus.

Het backbencherbestaan van Mieke Sterk was mij niet eerder opgevallen. Ze heeft de portefeuille sport, gehandicaptenzorg, middelbaar beroepsonderwijs, defensiepersoneel, arbeidsvoorwaarden en nazorg. Zoals ze heel scherp opmerkte: ze is er voor de kneuzen, en daar kan ik mij zelf voorlopig niet toe rekenen. Je ziet het vaker aan de portefeuille van kamerleden: sport en gehandicaptenzorg gaan in Den Haag hand in hand. Waarom is mij een raadsel. De combinatie sport/veiligheid of sport/infrastructuurwerken heeft meer eigentijdse logica. Sport in de softe hoek, kom nou! Het is de ruigste der mannenwerelden. Zo al niet op de velden, dan zeker er omheen.

Parlementariërs met sport in de portefeuille vallen op door hun plebejisch taalgebruik. Het is natuurlijk niet door te roepen 'Ze kunnen mijn rug op, de imbecielen' dat de bescheten Ad Melkert haastig ruimte gaat maken voor een sportparagraaf in het partijprogramma. De Mieke Sterks, de Terpstra's en de Lansinks van Den Haag hebben de taal van de tribune overgenomen. De kloten vliegen nog net niet in de rondte, maar in alles wat ze zeggen zie je de middelvinger over de woorden heen klimmen.

Lansink: “Hoeveel kerel ben je, daar het om meid!'

Terpstra: 'Vraag het maar aan Ruud, ik kus beter dan Mandela.''

Sterk: “Ik wil nooit, nooit en te nimmer op iemand lijken.”

Alle zinnen die de dames en heer ooit in hun parlementair leven hebben uitgesproken zijn zwanger van inherente superioriteit. Van beeldspraak ook die de magazijnbediende bij Albert Heijn uit het blik trekt. Plat, volks, populistisch gekwek, daar willen de sportvolksvertegenwoordigers in schitteren. Zoals de echte vedetten. Natuurlijk heeft dat een averechts effect. Een halve Catherine Deneuve hoeft maar een mooi licht in de wenkbrauwen te laten vallen en hop, de redacteuren van partijprogramma's schrijven zich een bult.

Voortaan zal elke Troonrede worden aangeheven met een belijdenis voor meer sport. Juist omdat het over sport gaat moeten de parlementaire gangmakers hun - voor zo ver het er is - uiterste vrouwelijk raffinement aanspreken. Ze moeten ontroering en schoonheid opwekken en dat kan niet met de mondhoeken in bulldozerstand.

Yvonne van Gennip wil ook in de politiek. Misschien kan zij met haar diplomatieke charmes meer bereiken dan die schreeuwlelijken die nu in de Kamer het hoge woord over sport voeren.

De sport heeft nood aan ambassadeurs die zachtjes kunnen praten, een streling voor het oog zijn en zich voor beraad mooi op de canapé kunnen neervleien. Weg met die modderfiguren, de mond nog dampend van de natte klei!

Dan maar dames op stiletto's, met een streepje lippenstift, en liever nog in zwarte nylonkousen. Sport is van deze wereld, niet van Drenthe.

Toch goed dat Mieke Sterk op de Dunninglijst naar een onverkiesbare plaats is gezakt. Ik las dat ze in haar hachelijke eenzeenheid wel eens Paul van Vliet draait: 'Ik ben zo vaak opnieuw begonnen.' Nog dieper in de nacht gaat ze op Herman van Veen: 'Zullen we samen schuilen onder één jas?' Het croonersleed is mij genetisch bestorven, maar van een notoir parlementslid verwacht ik dat ze Bach draait. En misschien een keer per jaar, met kerstmis, Elthon John: Candle in the Wind.