Leraar de dupe van achterstallig onderhoud

Lager onderwijs wordt niet met twee vingers in de neus gedaanVraag een leerling of hij later het onderwijs in wil en je wordt weggehoond. Het aanzien van het vak is dermate laag dat binnen niet al te lange tijd een tekort dreigt aan leraren. Minister Ritzen heeft maatregelen aangekondigd om dit tekort tegen te gaan, maar volgens Ton van Haperen zijn deze plannen gespeend van werkelijkheidszin.

In het jaar 2004 schijnt het eindelijk mis te gaan. Het tekort aan leraren is dan zo groot dat hun positie op de arbeidsmarkt vergelijkbaar wordt met die van topvoetballers nu. Gouden tijden zullen aanbreken. De huidige docent van veertig kan met een gerust hart zijn midlife crisis bestrijdenmet de aankoop van een groot huis, want de salarissen zullen gigantisch stijgen. Elke hypotheek komt binnen de grenzen van het haalbare. De zuinige minister is minder enthousiast over deze ontwikkeling, denkt aan zijn begroting en maakt beleid. De oplossingen waar hij mee komt zijn echter van matige kwaliteit en als het hierbij blijft kan hij net zo goed de markt het werk laten doen, dan verdwijnt het probleem tenminste vanzelf.

Een reclamecampagne met een portret van Ronald Giphart en met het bijschrift in de trant van 'schrijven heeft hij toch maar mooi op school geleerd' is buitengewoon aardig, maar of daarmee jonge mensen over de drempel van de lerarenopleiding getrokken worden, is de vraag. Mijnheer Giphart is een prima schrijver, maar helaas heeft zijn vaardigheid niks met het door hem genoten onderwijs te maken. Sterker nog, de meest gelezen schrijver onder jongeren laat geen mogelijkheid onbenut om de jeugd te laten weten dat de gemiddelde leraar in de Nederlandse taal en letterkunde geen enkel benul van literatuur heeft en absoluut niet in staat is om daar boeiend over te onderwijzen. Als het aan Giphart ligt stoppen de leraartjes er vandaag nog mee.

Een groter dédain ten opzichte van het onderwijs wordt zelden vertoond. Giphart, Witteman of welke andere prominente Nederlander ook ingehuurd wordt - voorlichting zal weinig invloed hebben op het imago van de onderwijsgevende. Het zijn andere zaken die de status van de leraar hebben doen devalueren. Dat weet de minister ook wel en hij komt dan ook met meer plannen om het aanstaande vraagoverschot te bestrijden. Zo wil hij werkloze academici de mogelijkheid bieden zich in een sneltreinvaart te laten omscholen tot docent in het basisonderwijs en voor de vreemde talen wil hij leerkrachten importeren uit Engeland en Duitsland, die schijnen daar in de aanbieding te zijn.

Beide voornemens getuigen van weinig wijsheid. De PABO is in ons land de gangbare voorbereiding voor de leraar aan de basisschool.

Deze opleiding wordt over het algemeen bezocht door HAVO-leerlingen, meestal vrouw, niet briljant, maar wel keurig het examen gehaald. Hier ligt geen probleem, de huidige leraren van het basisonderwijs doen het over het algemeen goed en de resultaten zijn dan ook naar behoren.

Een academicus heeft een heel andere studiekeuze gemaakt en een onvergelijkbare opleiding genoten. Hij is iemand met een wetenschappelijke achtergrond. Om de maatschappelijk falende doctorandi, na een spoedcurus bij kleine kinderen neer te zetten is op zijn zachtst gezegd eigenaardig. De motivatie van deze mensen is twijfelachtig. Bovendien is het lager onderwijs niet iets wat met twee vingers in de neus gedaan wordt.

Een academicus die bewust kiest voor het onderwijs hoort, na een degelijke vakdidactische en onderwijskundige scholing, op eerstegraads-niveau te werken. Daar ligt zijn kracht, VWO-leerlingen die later naar de universiteit gaan krijgen dan les van iemand die daar vandaan komt.

Kinderen in het basisonderwijs zijn veel jonger, zitten in een heel andere levensfase en vragen om een andere deskundigheid. Deze specifieke professionaliteit heeft de academicus niet, dus moet hij zich daarin laten scholen bij de gangbare opleidingen, net als ieder ander die leraar aan een basisschool wil worden.

Het importeren van leerkrachten uit Duitsland en Engeland getuigt al evenmin van enige kennis van de huidige onderwijspraktijk.

De lessen in het voortgezet onderwijs worden grotendeels in de Nederlandse taal gegeven. De voorraad leraren is in het buitenland vast net zo groot als hij hier klein is, maar ook de minister weet toch hopelijk wel dat Duitsers en Engelsen nooit geïnteresseerd geweest zijn in het aanleren van Nederlands.

Onze taal heeft in het buitenland ongeveer een gelijke status als de leraar hier. Dat wordt dus niks.Neem een klas 3-MAVO of 2-VBO van een willekeurige scholengemeenschap in den lande. We schrijven donderdag het achtste uur. Dertig leerlingen, hevig verlangend naar kennis, wachten op de entree van hun nieuwe leraar Duits. Ulli maakt de deur open, laat de giebelende leerlingen binnen en probeert met een witz over zijn slechte Nederlands de boel aan de gang te krijgen. Inderdaad, er wordt gelachen en er volgt meer, reken maar! Een leraar die de leerlingen verbaal in hun eigen taal niet de baas kan, dat is vragen om moeilijkheden. Er zal best een verdwaalde buitenlander zijn die in Nederland les wil geven, maar hij zal toch extreem gemotiveerd moeten zijn wil hij een beetje plezier in zijn werk krijgen.

Ritzen vraagt zich niet af waarom lerarenopleidingen leeg zijn, waarom een tekort ontstaat, of leraren wel met plezier werken en of hij daarin een rol speelt. Het ontbreekt hem aan een analyse. De minister heeft echter zelf schuld aan de huidige situatie. Zijn afbraakbeleid van de laatste jaren is één van de redenen waarom geen jong mens meer het onderwijs in wil. Natuurlijk, het ligt niet aan de beginsalarissen, die zijn zo gek nog niet. Het is iets heel anders. Studenten in het hoger onderwijs hebben goede herinneringen aan hun middelbare schooltijd, alleen hebben die niks te maken met het gebodene in de lessen. De pauzes waren prima, de vriendschappen mooi, het uitgaan prachtig en de leraren doodmoe. Vraag een groepje eindexamenleerlingen wie leraar wil worden en er zal meesmuilend gegniffel volgen. De jeugd wil het onderwijs niet in. Leerlingen zijn op school, lopen daar rond, kijken om zich heen en trekken hun conclusies. Dit is gedeeltelijk aan de docenten te wijten. De meesten weigeren nog langer energie te verkopen en zwelgen misschien wel in hun zelfmedelijden.

Dit gebrek aan vitaliteit komt echter wel ergens vandaan. Kapot slepen zij zich jaar na jaar naar een lopende band die in zijn hoogste versnelling staat. Ze maken lange dagen, draaien veel lessen en staan daardoor constant onder druk. Ze krijgen bovendien geen enkele prikkel om beter te presteren en kunnen ook niet weg, want dan verliezen ze hun rechten. Er komt al jaren geen nieuwe collega bij, het leerlingenaantal stagneert immers.

Ordeproblemen bestaan niet meer, herrie in het klaslokaal heet tegenwoordig samenwerking. Ze zijn niet meer bezig met zoveel mogelijk jongeren op een zo hoog mogelijk kennisniveau te krijgen, maar met overleven. In deze destructieve sfeer laat Zoetermeer de breed toegepaste vernieuwing onderwijs op maat gefaseerd los. Kinderen krijgen individueel het onderwijs dat bij hen past en leren zelfstandig, zij het gecoached door een leerkracht. Het gaat niet meer om wat ze leren, maar hoe ze leren.

Vaardigheden zijn belangrijker dan kennis. Dit zorgt voor onduidelijkheid, leraren zoeken naar hun rol, leerlingen zien de twijfel, trekken hun eigen plan en de chaos is compleet. Dit gevoegd bij het stiekem steeds verder dichtdraaien van de geldkraan, maakt van de gemiddelde scholengemeenschapin Nederland hevig vervuild, stilstaand water in een tropisch klimaat en dat stinkt.

Jonge mensen hebben de rotte lucht in hun neus hangen en zienaan de andere kant de vrolijke plaatjes van het florerende bedrijfsleven. Mooie mensen, hard werkend voor geld, goed gekleed, met auto's, mobiele telefoons en snelle computers, daar is het dynamiek en vooruitgang die de sfeer dicteren. De keuze is snel gemaakt, slechts de afvallers kiezen voor lesgeven, daar helpt geen Giphart aan. Deze ellende negeert de minister in zijn beleid. De vergrijzing bestrijdt hij door niet meer vooruit te branden leraren langer aan het werk te houden. Aanstormend talent wordt op deze wijze van hun enthousiasme en idealisme beroofd, omdat ze slechts heel moeizaam aan het werk komen. Na een paar jaar invallen, doceren op meerdere scholen, zijn zij het onderwijs uitgejaagd en vluchten naar het bedrijfsleven.

Kinderen verdienen onderwijs van mensen die hun qua tempo en denken kunnen bijhouden. De jeugd krijgt voor een groot deel les van mensen die de taal van de kinderen niet eens meer kunnen volgen. Het onderwijs heeft momenteel geen enkel élan en daar is uiteindelijk iemand politiek verantwoordelijk voor, de minister. Hij is de man van de schaalvergroting, budgettering en het door de strot duwen van onderwijsvernieuwingen bij vergrijsd personeel. Het wordt tijd dat hij daar eens op aangesproken wordt, want is deze context is de toekomst van de leraar even zeker als voorspelbaar: het is niks en het wordt niks. Maar het wordt vanaf 2004 wel vreselijk duur.