Leraar als vriend; Bijna alle idealen van de OSB staan nog recht overeind

TOEN KEES VISSER in 1973 als leraar Nederlands op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer (OSB) kwam werken, ervoer hij het pedagogische klimaat op deze middenschool 'als een zege'.

Vijf jaar had hij op een gewone middelbare school in Amsterdam-Noord voor de klas gestaan. “Een pittige baan”, herinnert Visser zich, “maar een totaal verstard schoolsysteem”. De directeur van die school stelde er eer in de rapportvergadering iedere keer korter te laten duren, zodat de docenten eerder vrij waren. Visser: “Ik weet nog dat ik een vraag stelde over een leerling met wiens lot ik zeer begaan was. Dat mocht niet. Huilend van woede liep ik de vergadering uit. Een collega zei later: 'Je leert het nog wel'. Maar ik wilde het helemaal niet leren.”

Nee, dan de OSB, die kort daarvoor vol idealen van start was gegaan.

Kees Visser is nu sinds vijf jaar directeur van de OSB en viert deze maand samen met leerlingen, oud-leerlingen, docenten en oud-docenten en alle andere enthousiastelingen die aan de wieg van dit onderwijsexperiment stonden het 25-jarig bestaan van de school. Oud-leerlingen komen gastlessen geven aan de huidige generatie. Zo ook Marcel Fleminks (34) uit de lichting van 1975, nu makelaar op een groot kantoor. “Voor jullie staat een proefkonijn”, zegt hij tegen de leerlingen van de huidige generatie. “Het was een hele bijzondere school”, vindt hij achteraf. “Je kon niet voor je examen zakken en leraren en leerlingen gingen heel vrij met elkaar om. Wat ik er geleerd heb, en daar heb ik in mijn beroep nog steeds profijt van, is dat je open staat voor anderen en hebt leren opkomen voor jezelf.”

Het kringgesprek aan het begin en het eind van ieder blokuur was een instituut,herinnert Fleminks zich. “Een middel om sociale samenhang te creëren tussen kinderen van heel verschillend niveau.” De eerste drie jaar zaten alle leerlingen door elkaar, van lager beroepsonderwijs tot VWO. “Ik heb die eerste drie jaar weinig geleerd”, zegt Fleminks. “We liepen als VWO'ers absoluut ver achter. Maar tegen de tijd dat we eindexamen moesten doen en het studietempo flink omhoog ging, lukte dat vrij aardig, want de basis was goed. We hadden geleerd zelfstandig te werken.” Fleminks trof een school aan waar de deuren van de lokalen niet meer openstaan en alles meer gestructureerd is. “Ik krijg de indruk dat ze van de fouten die ze bij ons maakten geleerd hebben.”

De OSB is veranderd: van 'elitaire, witte werkplaats voor kinderen' in de beginjaren naar een multi-culturele schoolgemeenschap die onder druk van de veranderde tijdgeest en de Haagse regelzucht een aantal van zijn idealen heeft moeten prijsgeven. Maar is de OSB nu een doorsnee-school? Het is een onomstreden school geworden, moet directeur Kees Visser toegeven, 'het eenzame avontuur' is er wel een beetje af. “De gesloten cultuur van 'wij tegen de rest van de wereld' was lang onze kracht, maar het kan ook een gevangenis worden. Je hebt de neiging om het prachtige bouwwerk dat je al experimenterend hebt neergezet te gaan koesteren. Zoals de kunst van het jongleren het loslaten van de bal is, zo moeten ook vernieuwers durven loslaten en eigentijdse antwoorden proberen te vinden.” Tot zijn grote vreugde heeft Visser dit jaar zeventien jonge docenten kunnen aantrekken. Ze krijgen allemaal een cursus 'OSB-werkwijze', waarin ze leren hoe ze de les met een kringgesprek openen en afsluiten, en hoe ze de beoordelingen schrijven, want cijfers zijn tot het examenjaar taboe. Misschien dan minder verguisd, eigenwijs is de school nog steeds.

De OSB, door critici ook wel de Open Speelplaats Bijlmer genoemd, werd opgericht in een tijd dat de mens nog 'maakbaar' werd geacht en het onderwijs als de motor van een veranderende samenleving werd gezien. Idealistische ouders en onderwijsvernieuwers sloegen de handen ineen om in de Bijlmer, de wijk waar die nieuwe mens zich volledig maatschappelijk kon ontplooien, een school te stichten die zou afrekenen met het verzuilde en verkalkte schoolsysteem. “De OSB was een reactie op het doodzieke onderwijs”, zegt directeur Visser. Het werd een middenschool, het ideaal van de toenmalige onderwijsminister Van Kemenade. Een mix van lager beroepsonderwijs, Mavo, Havo en VWO, die alle kinderen de eerste drie jaar zou krijgen voorgeschoteld. De selectie werd daardoor uitgesteld en kinderen van verschillend niveau zouden zo leren met elkaar om te gaan. Het open pedagogisch-humane klimaat moest de afstand tussen leerling en leraar verkleinen en bijdragen aan menselijke kwaliteiten als zelfvertrouwen, verantwoordelijkheidsgevoel, zelfwerkzaamheid en een harmonieus gevoelsleven.

“Angst-vrij, veilig onderwijs”, zo omschrijft Visser het. “Docenten zijn niet je vijanden, maar ze helpen je. Je bent welkom.” Schoolfeesten hoefden niet te worden georganiseerd, want elke les zou een feest zijn en buitenschoolse activiteiten waren onnodig, omdat de creativiteit volledig in de klas tot zijn recht zou komen.

Deze ideeën zijn inmiddels door de tijdgeest ingehaald. Er zijn schoolfeesten en er worden nu buitenschoolse activiteiten georganiseerd. Maar het kringgesprek en de vaste mentorgroep hebben de jaren doorstaan en worden nog steeds gezien als een bindend element dat in belangrijke mate bijdraagt aan de sociale ontwikkeling van de kinderen. En daarvoor moet je de tijd nemen, vond men altijd op de OSB. Voor het VBO en de Mavo werd standaard vijf in plaats van vier jaar uitgetrokken, voor het Havo zes jaar. Toen dat verboden werd, moesten ook de lesblokken van 80 naar 65 minuten om alle vakken voldoende aan bod te laten komen. “Jammer”, vindt Visser. “Het is ons opgelegd door Den Haag. Zelf zouden we er niet op gekomen zijn.” De brugperiode moest van drie naar twee jaar terug, ook al zo'n aantasting van de vroegere onderwijsidealen. Want voor kinderen uit minder kansrijke gezinnen pakt een later selectiemoment juist gunstig uit.

De landelijke invoering van de basisvorming voor de onderbouwgroepen betekende voor de OSB “een stap achteruit”. Het gedachtengoed van de basisvorming en de vorming van brede scholengemeenschappen mag dan gestoeld zijn op de oorspronkelijke ideeën van de middenschool, het politieke compromis dat er tenslotte uitkwam heeft weinig goeds gebracht, vindt Visser.

In de praktijk blijkt dat leerlingen eerder geselecteerd worden in homogene groepen. De kerndoelen die voor de vijftien vakken zijn vastgelegd bevorderen volgens Visser het 'leerstof-gericht' lesgeven en de toetsen, bedoeld als reflexiemoment, worden toch een selectiemiddel. Visser schudt zijn hoofd: hij kan de huidige bewindslieden niet betrappen op een onderwijsvisie. “Scholen zijn onderwijsinstellingen geworden. Het gaat om input en output, leerlingen zijn een product. De pedagogische visie wordt ondergeschikt gemaakt aan calvinistisch rekenwerk.”

Toch heeft ook de OSB zelf in de loop der jaren water in de wijn moeten doen. De grijze stoeptegels in het gebouw, symbool voor de straatachtige openheid van de school, zijn vervangen door kleurig lynoleum en de deuren van de klaslokalen gaan dicht tijdens de les. Maar de kern van de oude idealen staat nog recht overeind, vindt directeur Visser. “De doelstelling om bevoorrechte en minder bevoorrechte kinderen samen te laten optrekken hebben we nog steeds. De sociale binding is voor ons belangrijk, dat hebben kinderen nodig.”