Krappe kaken; Implantatie kunstwortels neemt hoge vlucht

De kunstwortel rukt op. Maar het blijft zaak voorzichtig te zijn bij de indicatie om implantaten te plaatsen in de sterk geslonken bovenkaak.

Literatuur: Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde, juli 1997.

STEEDS MEER landgenoten dragen tegenwoordig kunstwortels in hun geslonken kaken. Tandartsen implanteren vaker en het totaal aantal implantaten dat jaarlijks wordt geplaatst neemt snel toe. De procedure is relatief eenvoudig. In principe wordt er onder verdoving een sleufje in een lege kaak geboord en daarin wordt het implantaat geplaatst. Het succes van de implantologie in de jaren tachtig is spectaculair. Dit is vooral te danken aan fundamenteel onderzoek waarbij grote groepen patiënten in allerlei delen van de wereld langdurig werden gevolgd.

Werd in de jaren tachtig nog voorzichtig geïndiceerd, thans zijn de mogelijkheden veel groter. Afzonderlijke tandvervangingen - een avondje stappen en een student raakt een voortand kwijt - zijn vooral in de onderkaak geen probleem meer. Bruggen en complete tandboog-vervangingen, mits de patiënt gemotiveerd meewerkt, eigenlijk ook al niet. Veel oudere mensen met sterk geslonken onderkaken, dragen tegenwoordig kunstgebitten met daaronder enkele implantaten. De meesten van hen zeggen, na de behandeling en plaatsing van het gebit, verlost te zijn van veel ellende, van pijn, van eet- en spraakproblemen en een aantal van hen rapporteert dat hun sociale leven weer als vanouds is geworden.

Toch blijven er gebitsinvalide mensen over die, ondanks de mogelijkheden van de implantologie, maar moeilijk kunnen worden geholpen. Dat zijn de patiënten met de zeer sterk geslonken bovenkaken. In tegenstelling tot de onderkaak waar, na sterke resorptie, vaak nog wel een beetje kaakbot over is blijkt dat in een bovenkaak vrijwel niet meer het geval te zijn. In die gevallen ziet men dat op de plaats waar de boventanden zaten het slinkproces al tot de neusbodem van de patiënt is voortgeschreden. Terwijl achter in de mond de grens tussen het kaakbot en de bodem van de kaak- of sinusholte dikwijls zo dun is geworden dat daar het plaatsen van implantaten vrijwel onmogelijk is. Daarbij speelt dan nog een andere factor, namelijk de kwaliteit van het bot van beide kaken. Het geslonken kaakbot van de onderkaak is vrij compact van samenstelling. In tegenstelling tot het bot van de bovenkaak dat een vrij losmazige structuur heeft en opgebouwd is uit dunne balkjes met er tussen kleine open ruimten. Kortom, een uiterst onplezierige situatie om implantaten te plaatsen.

Deze zomer verscheen een themanummer van het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde waarin ruim aandacht werd geschonken aan de bovenkaak. Daaruit valt op te maken dat er, onder zekere condities, wel degelijk hulp geboden kan worden aan mensen die een extreem geslonken bovenkaak bezitten. Er blijken verschillende manieren te zijn om het probleem aan te pakken.

Men kan de kwestie benaderen vanuit het type inplantaat door te zoeken naar zeer korte implantaten. In het algemeen worden aan een kunstwortel een paar basale eisen gesteld. Na plaatsing zal de stabiliteit ervan groot moeten zijn waarbij tevens belangrijk is dat het implantaat tijdens het genezingsproces volledig in het bot integreert. Voorts mag het materiaal geen giftige en allergische reacties veroorzaken. De meeste van de hedendaagse implantaat-systemen voldoen aan deze laatste eisen. De gebruikte materialen bestaan veelal uit titanium, al dan niet bedekt met laagjes van (op kaakbot lijkende) stoffen zoals hydrokylapatiet. Omdat de schroefvormige, soms ook holle implantaten in de bovenkaak kort moeten zijn en stevig en snel moeten hechten, zoekt men naar chemische mogelijkheden om het oppervlak ervan te verbeteren. Onderzoek wijst uit dat wanneer de gebitssituatie in de onderkaak gunstig is, minimaal zes korte implantaten de voorkeur verdienen voor het houvast van het nieuwe bovenkunstgebit bij patiënten met sterk geslonken bovenkaken.

Een andere manier om houvast voor het implantaat te krijgen is een kaakchirurgische benadering. De laatste jaren zijn verschillende methoden toegepast die er alle op zijn gericht nieuw bot aan te brengen op de plaats waar het implantaat zal moeten worden geplaatst. Dat bot kan elders uit het lichaam van de patiënt worden gehaald, bijvoorbeeld de kin en worden getransplanteerd in de bodem van de kaakholte. Ook doet men proeven met kunstbot. Dit terrein is sterk in ontwikkeling maar toch moeten belangrijke vragen nog worden opgelost. Zo is niet duidelijk wat er in verloop van de tijd met het getransplanteerde bot gebeurt en welke implantatiemateralen kunnen worden gebruikt. Ook is onbekend wanneer precies het bot mag worden belast, immers de kauwkrachten zijn groot en van invloed op de overleving van het te plaatsen implantaat. Wel is men tegenwoordig zo ver dat men voorzichtig kan stellen dat de verhoging van de sinusbodem in een aantal gevallen verantwoord lijkt.

De conclusie die uit de artikelenreeks kan worden getrokken, is dat men heden ten dage nog buitengewoon voorzichtig moet zijn bij de indicatie om implantaten in de sterk geslonken bovenkaken te plaatsen. Men dient alleen te implanteren wanneer daar stringente redenen voor zijn, bijvoorbeeld in het geval dat er absoluut geen houvast meer in de kaak is voor het dragen van een kunstgebit.