Hollands Dagboek

Ahmed Ancer, geboren in 1951 te Jijel, Algerije, studeerde politicologie aan de Universiteit van Algiers. In 1990 richtte hij samen met andere journalisten de onafhankelijke krant El Watan op, waaraan hij nog steeds verbonden is als politiek commentator en chef van de redactie binnenland. Hij was lid van de Mouvement des Journalistes Algériens, een organisatie die kritische artikelen publiceerde over vrijheid van meningsuiting en persvrijheid. Ahmed Ancer - die in eigen land regelmatig een schrijf- en uitgaansverbod krijgt opgelegd - verblijft het komende jaar als writer-in-residence in Amsterdam.

Donderdag, 11 september

Ik had nooit kunnen bedenken dat praten over mijzelf in een krant me zo moeilijk zou vallen.

Toen ik gevraagd werd voor dit dagboek, had ik er eerlijk gezegd geen idee van dat me dat zoveel moeite zou kosten. Ik was eerder bang dat ik mijn toezegging uit tijdgebrek niet na zou kunnen komen omdat ik, na drie dagen Amsterdam, al verscheidene afspraken had gemaakt met de Nederlandse pers.

De zaak kwam in een ander licht te staan toen ik elke dag aantekeningen begon te maken als geheugensteun. Toen werd ik door allerlei vragen overvallen: wat zal ik aan de lezers van NRC Handelsblad vertellen? Zullen ze wel in mij zijn geïnteresseerd, zeker nu het begin van mijn verblijf van een jaar in Amsterdam geen enkele oneffenheid lijkt te vertonen?

In De Balie zag ik een documentaire over Algerijnse vrouwen en ineens begreep ik waarom ik zo'n moeite heb mijn gevoelens aan een publiek dagboek toe te vertrouwen. Een van die vrouwen zei dat Algerijnen altijd erg beschroomd zijn geweest om in het openbaar over zichzelf te praten. Ze praten liever vertrouwelijk in besloten kring. In werkelijkheid is het nog een beetje ingewikkelder. In Algerije bestaat het individu uitsluitend via zijn omgeving. Het individu heeft zich altijd uitgedrukt of verwezenlijkt in groepen: het gezin, de groep van buurt- en/of schoolgenoten, collega's op het werk en ten slotte het lidmaatschap van een al dan niet politieke organisatie.

Gevolg: veel Algerijnen kunnen in hun stukken niet over zichzelf praten. Ik kan me dan ook niet herinneren dat in Algerije wel eens een persoonlijk dagboek is gepubliceerd. Maar goed, we kunnen de sociologie beter aan de deskundigen overlaten en niet verder afdwalen.

Vrijdag

Ik ben uitgenodigd door het Nederlandse Rushdie Defense Committee, de gemeente Amsterdam, De Balie en het Steuncomité Algerijnse Intellectuelen Amsterdam (SAIA), in het kader van het Europees netwerk van 'vluchtsteden' voor schrijvers die in hun eigen land vervolgd of bedreigd worden. Doel: een boek schrijven over de harde en langdurige strijd die de vastberaden Algerijnse journalisten al bijna twintig jaar lang leveren.

Daarnaast zou ik - wat in mijn ogen ook heel belangrijk is - zo goed als ik kan het Nederlandse publiek informeren over de huidige situatie in mijn land.

Dus zoveel als maar mogelijk is contacten onderhouden met de pers. Naar verluidt heeft Rushdie zelf de wens geuit een Algerijnse journalist in de vluchtstad Amsterdam onder te brengen. Ik vind echter wel dat ik erop moet wijzen dat ik persoonlijk in Algerije niet méér dan mijn vakbroeders en -zusters vervolgd word.

Ons beroep is onder de huidige omstandigheden voor iedereen moeilijk, en vaak dodelijk, gezien de haat die de moslims jegens ons hebben ontwikkeld sinds ze in de jaren 1988-1989 op het politieke toneel verschenen.

En van de overheid hebben we na 1992 niets cadeau gekregen.

Ze heeft onder uiteenlopende voorwendsels diverse journalisten met de gevangenis kennis laten maken. Om nog maar te zwijgen over de talloze verschijningsverboden die verscheidene onafhankelijke dagbladen vaak met een simpel bestuurlijk besluit kregen opgelegd.

De hartelijke ontvangst op Schiphol door Adriaan van Dis van het Rushdie-comité, Hans Verploeg van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, Tiziano Perez en Wieke Rombach van De Balie en Tahar Maaz van het SAIA, werd een beetje bedorven door een allerakeligst voorval: mijn bagage stond nog in Brussel. Ik dacht er al over om, als alles voorgoed kwijt was, terug te gaan naar Algiers omdat mijn spullen in hoofdzaak bestonden uit in lange tijd bijeen vergaarde documentatie die de basis van mijn werk moet vormen. Zonder dat zou het verblijf in mijn 'vluchtstad' geen enkele zin meer hebben.

's Avonds gedineerd in de stad. Voordat we weggingen stopte Hans Verploeg, die niet met ons mee naar het restaurant ging, een envelop in mijn hand.

Ik begreep dat het een geldbedrag was en voelde het bloed naar mijn bergbewonershoofd stijgen. Ik protesteerde zachtjes, ontroerd door zijn gebaar. Omdat we het een tijdje daarvoor hadden gehad over het klimaat in Amsterdam, voegde hij eraan toe, om mij gerust te stellen: “Het is niet veel. Daar kan de jas van worden betaald.”

Zodra de deur dicht was, liet ik me uitgeput op de bank vallen.

Precies op dat moment belde Maaz op (hij is ook hoofd van het kantoor van Air Algérie in Amsterdam) om me het goede nieuws te vertellen: mijn bagage komt zaterdagochtend aan. Ik kon weer een beetje lachen, maar Maaz waarschijnlijk helemaal niet toen hij de volgende ochtend mijn grote metalen reiskoffer, volgestouwd met boeken en documenten in zijn auto stond te laden.

Zaterdag

Bezoek aan De Balie. Directeur Chris Keulemans voerde me van etage naar etage en stelde me voor aan al zijn medewerkers. In dit cultureel centrum bruist het aan één stuk door, zeven dagen per week, en pas 's nachts komt het leven tot rust. Later zal ik voor mijn dagblad, El Watan, een artikel over De Balie schrijven. De inwoners van Algiers kunnen zich gelukkig prijzen wanneer ze misschien op een dag een culturele instelling van dat formaat krijgen.

De volgende twee avonden weer uitgenodigd voor diners.

Eerst in het centrum, ergens in een wijk waarvan Tiziano me vertelde dat het de intellectuelenbuurt is, in een restaurant aan de beschaduwde kant van een gracht. Ik maakte kennis met Maarten Asscher van uitgeverij Meulenhoff, een man zo groot als een Nederlander, die heel hard en aanstekelijk kan lachen.

Daarna kwam Rudi Wester met een sigaret in haar mond. Ze rookt als een schoorsteen, dat wil zeggen, net als ik. Deze vrouw, die zeer goed Frans spreekt en heel ervaren is in het promoten van Nederlandse literatuur in het buitenland, zal over twee dagen voor mij fungeren als vertaalster bij een persconferentie. Adriaan van Dis, met zijn witte, ongekamde ragebol, vrolijk en joviaal, maakte er een levendige avond van. De restauranthouder, die ons in het Frans hoorde converseren, trakteerde ons op het aangenaam weemoedig zingen van La Piaf. Edith begeleidde ons met haar klaagzang op gedempte toon tot laat in de avond.

Zondag

's Morgens rond tien uur belde Maaz en vroeg of ik mee ging naar de Oosterse rommelmarkt in Beverwijk, vlakbij Haarlem.

Hij gaat daar vaak in het weekend naar toe. De markt is ontzaglijk groot, bijna net zo groot als de bazaar van Teheran, kosmopolitisch, kleurrijk, kortom: oosters. Je moet jezelf er een weg banen en van het lopen (dat kan daar kilometers lang) krijg je trek. Er is van alles te vinden, behalve je vader en moeder als die overleden zijn. Nederlanders houden hier blijkbaar van, en het is heel erg moeilijk een parkeerplaats te vinden. Ik kwam vroeg in de avond dus met geradbraakte voeten aan bij Hans Verploeg en zijn vriendin.

Gemoedelijke sfeer. Zijn vriendin Inge kookte. Hans gaf toe dat hij zelden een pan aanraakt. Dat doet me goed, zo ben ik niet de enige nietsnut op culinair gebied. Omringd door zijn boeken, encyclopedieën en andere dingen die hij van over de hele aardbol bij elkaar heeft gebracht, haalden we persoonlijke herinneringen op aan beroepsreizen, de Algerijnse pers en aan de 'oude banden' tussen Algerije en Nederland.

Hans haalde een boek over zeelieden te voorschijn en nam een minutenlange duik in verhalen over zeeën en Berberse piraten. In de zestiende of zeventiende eeuw was een van hen, een Hollandse vechtersbaas, raïs (bestuurder en vooraanstaand persoon) geworden in het regentschap Algiers. Zelf vertelde ik een verhaal over Hollandse nonnen die over de Middellandse Zee voeren en wier schip lang geleden zou zijn gestrand op de kust, honderddertig kilometer ten westen van Algiers. De brave zusters werden bijeengebracht en zonder veel omhaal door de bergbewoners tot hun echtgenotes gemaakt.

Uiteindelijk zullen ze wel blij zijn geweest dat ze ontkomen waren aan het klooster en vooral ook aan de onthouding van gemeenschap. Alleen Mama Nina die ongetwijfeld de moeder overste was, had naar het schijnt haar celibaat en haar heilige maagdelijkheid behouden. Haar graf is sindsdien een heilige plaats, die nog steeds door Algerijnse vrouwen uit de omgeving wordt bezocht. De anderen kregen kennelijk heel veel nakomelingen, want in Beni Haoua (de Kinderen van Eva) - de naam waaronder de streek nu bekend staat - zijn veel mensen te zien die weliswaar een door de zon gebruinde huid hebben, maar ook witblond haar en helderblauwe ogen, wat de legende geloofwaardig maakt.

Maandag

Persconferentie in het stadhuis van Amsterdam. Zo'n twintig mensen, onder meer journalisten en genodigden, zaten in het zaaltje. Adriaan van Dis stelde mij aan het publiek voor, gaf anderen het woord en vergat daarbij de heer Patijn, de burgemeester. Gelach, toen deze dan maar ongevraagd het woord nam. Ik weet niet precies wat hij zei. Er kwamen uiteindelijk maar weinig vragen van de journalisten.

Het echte contact kwam pas wat later, aan het einde van de persconferentie: gesprekje en afspraak.

Burgemeester Patijn informeerde of ik goed ben gehuisvest, gaf me zijn kaartje en zei dat ik hem moet bellen als het nodig is. Geleidelijk aan leer ik Amsterdam kennen. De eerste dagen werd ik als een kind vertroeteld door Wieke en Tiziano die geen duimbreed van mijn zijde weken. Ze zijn zo fabelachtig behulpzaam, dat ze praktisch niet kunnen aarzelen of nee zeggen. Ze zijn bij de talloze contacten zoals interviews en gesprekken met de pers, ze zijn bij de rondleidingen door de stad en de administratieve procedures om het verblijf wettelijk te regelen.

Als Tiziano me niet verraderlijk te pakken had genomen, zou ik niet helemaal alleen door Amsterdam hebben gedurfd. Op een keer, ik weet niet meer welke dag, ging hij samen met mij naar buiten en zei voor de ingang van De Balie: “Kijk, dáár moet je de tram nemen.”. Hij liet me zomaar staan en ging weer naar binnen. Ik ging op pad en heb tot het Centraal Station gelopen.

Het is werkelijk heel moeilijk voor een buitenlander, zelfs met een stadsplattegrond, om de weg te vinden in een Amsterdam. De stad ligt als in een net ingesnoerd tussen de grachten. De architectuur is trouwens te gelijkmatig, ook al zijn er geen twee gebouwen die precies op elkaar lijken.

Ik ben toch zonder problemen thuisgekomen en dank Tiziano ervoor dat hij mij op de stoep had achtergelaten.

Dinsdag

Ik ben niet van huis weggegaan.

Woensdag

Ik ben vergeten wat ik overdag heb gedaan. 's Avonds was ik uitgenodigd door het SAIA, waarvan alleen de voorzitter geen Algerijn was. Grieks eten en vrijwel uitsluitend discussie over Algerije. De heer Van Toorn draaide ervoor op. Algerijnen hebben een onweerstaanbare gewoonte ontwikkeld. Altijd als ze elkaar tegenkomen, praten ze alleen maar over 'het land' en geven ze zich over aan wat een nationale sport is geworden: het bekritiseren van de regering in Algiers.

Wel moet ik toegeven dat ze vaak geen ongelijk hebben.

Donderdag

Niet weggeweest.

Vrijdag

Niets te melden.

Zaterdag

Niet weggeweest.

Zondag

Ik had een ontmoeting van ongeveer een uur met een oude studiegenoot van de universiteit.

We hebben samen van 1973 tot 1977 in Algiers politieke wetenschappen gestudeerd. Hij is nu diplomaat en werkzaam als attaché bij de ambassade in Den Haag. 's Middags documentairefilms in De Balie over de ellende van straatkinderen in Latijns-Amerika en over het treurige leven van Algerijnse vrouwen in een macho-maatschappij.

Maandag, 22 september

Een vreselijk bericht: de moslims, zegt mijn vrouw, hebben 85 mensen afgeslacht. Ik bel met mijn krant; het aantal is nog veel hoger, krijg ik te horen. Ik was bezig het artikel te schrijven dat u nu aan het lezen bent. Ik sta op, loop de woning uit, ga naar De Balie, kom weer naar buiten zonder met iemand te hebben gepraat. Ik weet niet wat ik er kwam doen. Die nacht duurde lang.