Hoe een kind zijn ouders verstaat

First Language. Volume 17, part 1, number 49. February 1997. Verschijnt drie keer per jaar. Jaarabonnement £ 30,- ISSN 0142-7237.

Uitgeverij Alpha Academic, Chalfont St. Giles, Buckinghamshire HP8 4NR England. Ter inzage in veel universiteitsbibliotheken.

HOE ONDERZOEK JE de manier waarop kleine kinderen taal machtig worden? Het gaat in de eerste levensjaren om een snel en voortdurend proces, maar herhaaldelijk laboratoriumonderzoek is al snel onethisch en voortdurende huisbezoeken zijn omslachtig. Men neme dus zijn eigen kind(eren). Zo ook de Amerikaanse psycholinguïste Jeri J.

Jaeger (van de universiteit van Buffalo). Uit haar artikel How to say 'Grandma': the problem of developing phonological representations in het Britse blad First Language komen we daarom ongewoon veel te weten over het persoonlijk leven van de auteur.

Haar dochtertje (en onderwerp van studie) Alice ging tijdens een jarenlang gezinsverblijf in Peru bijvoorbeeld al vanaf haar derde levensmaand vier dagen per week (en acht uur per dag) naar kinderopvang bij een gastgezin dat alleen Spaans sprak. Toen ze een jaar en negenenhalve maand oud was verbleef Alice voor een maand bij haar Californische grootouders. Jaeger vermeldt dat 'Alice's moeder' (zij zelf dus) de -ing-uitgang van eating niet nasaal uitspreekt, terwijl Alice vader (de echtgenoot van de auteur dus) dat juist weer wel een beetje doet. Alice heeft overigens een voorzichtig karakter, maar haar grootvader is erg dominant, terwijl haar grootmoeder toch het huishouden draaiende houdt, enzovoorts, enzovoorts.

Op deze manier wordt aan wetenschappelijke artikelen een prettig-huiselijke dimensie toegevoegd. Het systematisch onderzoek aan de eigen kinderen lijkt onder taalkundigen niet ongebruikelijk. Jaeger noemt in haar stuk onder meer de Duitse onderzoeker T. Berg, die weer allerlei conclusies heeft getrokken uit de taalontwikkeling van zìjn kleine dochtertje.

Al deze gezelligheid betekent niet dat de wetenschap op een laag peil zou staan. Integendeel, Jaegers artikel is een interessant betoog over de manier waarop kinderen zich woorden eigen maken. Wat is de concrete vorm van hun woordenschat? Zijn het de woorden zoals ze die zelf uitspreken, of de woorden zoals ze die van hun ouders horen? In het eerste geval is het verwonderlijk dat ze hun ouders überhaupt kunnen verstaan en in het tweede geval is het moeilijk verklaarbaar dat ze zo lang woorden op een geheel eigen wijze blijven uitspreken. Een combinatie ligt voor de hand, maar in de linguïstische literatuur doen diverse enkelvoudige theorieën over dit probleem de ronde.

Een beginnend sprekertje zou een eigen woordvoorstelling hebben die weer afwijkt van zowel de volwassen versie als van zijn eigen uitspraak, aldus een gedachte uit de jaren zeventig. Een recenter model poneert weer dat de woordvoorstelling van kleine kinderen bestaat uit een gefilterde versie van de volwassen uitspraak.

Op grond van wat ze bij haar eigen kind constateert, pleit Jaeger voor het zogenaamde 'dubbel lexicon-model'. In de woordenschat van een kind worden per woord twee 'woordbeelden' opgeslagen: de waarneming en de eigen uitspraak. Het uitspraak-beeld is een bewerking van de waarneming onder invloed van de spraakontwikkeling van het kind. Veel klanken leert een kind pas in de loop der jaren uitspreken. Dat uitspraakbeeld kan relatief lang constant blijven, ongestoord door de soms totaal andere uitspraak van het woord door anderen. Alice had net als veel andere kinderen lange tijd zelfs volkomen verzonnen 'uitspraken' voor woorden die ze in de versie van haar ouders uitstekend begreep. Voedsel noemde ze bijvoorbeeld zoiets als kaki. 'Proto-woorden' worden die eigen bedenksels genoemd, en Jaeger merkt op dat Alice (net als veel andere kinderen) deze woorden vrijwel altijd begeleidt met uitgebreide vaste gebaren, gezichtsuitdrukkingen en stemverbuigingen. De twee 'vormen' van het woord bestaan betrekkelijk los van elkaar. Volgens haar moeder realiseerde Alice zich wel dat haar woorden niet overeenstemden met de uitspraak van anderen, maar haar 'uitspraakbeeld' verandert slechts met haar groeiende beheersing van de 'spraakspieren'.

Het taalvermogen is al op zeer jonge leeftijd behoorlijk groot. Deze week constateren twee Amerikaanse onderzoekers in een artikel in Science (26 september) dat kinderen van acht maanden oud vrij gemakkelijk woorden onthouden. Het bleek dat de onderzochte kinderen aandachtiger gingen luisteren als ze woorden hoorden die ze twee weken eerder ook al eens hadden gehoord in een verhaaltje.

Nieuwe woorden trokken veel minder aandacht. Voor kinderen die de verhaaltjes niet te horen hadden gekregen, was er geen effect. De twee onderzokers, Peter W. Juszcyk en Elizabeth A. Hohne, oppperen op grond hiervan dat woordvorming begint met het onthouden van 'losse' fonetische woordvormen.

Bij dit Science-onderzoek bleven de eigen kinderen overigens buiten schot. De twee onderzoekers brachten in twee weken in totaal 150 huisbezoeken (vijftien kinderen tien maal in twee weken). Twee weken werden de kinderen naar het laboratorium gehaald voor de woordentest.

Ook in First Language artikelen over het verschil in beleving van de voltooide en de onvoltooide verleden tijd bij Franse kinderen en volwassenen, over het bewustzijn bij kinderen rond de drie jaar dat twee verschillende woorden toch een en het zelfde voorwerp kunnen aanduiden. Verder constateren twee psychologen dat de structuur van de moedertaal grote invloed heeft op de manier waarop kinderen raden wat een onbekend woord zal betekenen.