Het Groot-Brittannië van schrijver Brian Moynahan; Hypocrisie als deugd

Met zo'n negatieve kijk doet het Britse volk zich gruwelijk tekortEen toonbeeld van stabiliteit. Geen revolutie meer sinds de glorieuze van 1688. Geen last van communistische of fascistische bevliegingen. 'We zijn verbluffend verstandig geweest', zegt de Britse schrijver Brian Moynahan over zijn landgenoten. Hij schreef een boek over de geschiedenis van Groot-Brittannië in deze eeuw en verbaast zich over het gebrek aan eigenliefde.

'Met een negatieve kijk doet het Britse volk zichzelf gruwelijk tekort.'

Schetst hij niet een ontzettend zelfgenoegzaam beeld van Groot-Brittannië? Je hoeft die vraag niet eens te stellen. Hij komt er zelf mee. Om die stelling onmiddellijk met een blijmoedige glimlach te beamen. “Inderdaad ja, we hebben het er zo slecht nog niet afgebracht.”

“Al met al heeft de wereld deze eeuw meer gehad aan Groot-Brittannië dan Groot-Brittannië aan de wereld”, provoceert Brian Moynahan, schrijver van The British Century; a photographic history of the last hundred years, dat deze maand in een oplage van 60.000 in Groot-Brittannië is verschenen. We kijken naar de allerlaatste bladzijden van zijn even amusante als informatieve standaardwerk, dat in de Nederlandse vertaling volgende week uitkomt bij uitgeverij Anthos. De foto toont twee keurige, bejaarde, Britse dames die turen naar een portret van koningin Elizabeth met een van haar geliefde corgi's. Volgens het bijschrift illustreert dit tafereel dat het Verenigd Koninkrijk “deze eeuw eindigt zoals het ze is begonnen: als een democratische,honden-minnende monarchie”.

“Dat commentaar kun je zien als grotesk staaltje van zelfvoldaanheid. Maar het is wel waar”, zegt Moynahan. Verbluffender dan de politieke en economische neergang van Groot-Brittannië in de afgelopen honderd jaar vindt hij de mate waarin het land zichzelf is gebleven. “Een toonbeeld van stabiliteit.”

De historicus Peter Clarke constateerde vorig jaar al in zijn fascinerende Hope and Glory dat “Britse geschiedkundigen aan het eind van de twintigste eeuw het vertrouwen missen om in vreugde terug te blikken”. Hij waarschuwde dat de geschiedenis van Groot-Brittannië in deze eeuw “een historie van het verval” dreigt te worden. Terwijl “Groot-Brittannië ook deze eeuw zijn momenten van roem heeft gekend; dat waren niet allemaal illusies. De Britten koesterden hoop; die was niet steeds misplaatst.”

Moynahan gaat nog enkele stappen verder. Hij zegt dat de Britten zich niet moeten blindstaren op de macht en invloed die ze deze eeuw hebben verspeeld.

Het Verenigd Koninkrijk heerst niet meer over de wereldzeeën zoals honderd jaar geleden. Het Verenigd Koninkrijk is niet meer het rijkste land op aarde en ook niet meer de werkplaats van de wereld, grootste industriële producent en exporteur. “Maar dat is nog geen reden om alle generaties die deze eeuw in Groot-Brittannië hebben geleefd als ondermaats af te doen, niet meer dan schakels in een keten van mislukkingen. Met zo'n negatieve kijk doet het Britse volk zichzelf gruwelijk tekort.”

Hij erkent dat de Britten nog altijd gebukt gaan onder hun glorieuze verleden.

“Ze zijn geneigd om de Victoriaanse hoogtijdagen te romantiseren en telkens opnieuw te herkauwen.” Ze kunnen onmogelijk naar het heden kijken zonder gevoel van verlies.

“Toch hebben de Britten alle reden”, vindt Moynahan, “om met fierheid terug te zien op deze eeuw”. Ze hebben twee wereldoorlogen gewonnen en het Rode Gevaar helpen bezweren. De gigantische materiële prijs die het land voor die vrijheidsstrijd betaalde, heeft in belangrijke mate bijgedragen tot de relatieve economische neergang van het Verenigd Koninkrijk. Ook heeft het Britse rijk zich op buitengewoon elegante manier van haar kolonies ontdaan, met minder geweld en commotie dan bij voorbeeld Nederland, België en Frankrijk. “Het Britse rijk pretendeerde te staan voor zowel suprematie als vrijheid. Toen het deze aanspraken onmogelijk nog langer kon combineren, hield het imperium niet krampachtig vast aan de macht.” Dat zoveel voormalige Britse gebiedsdelen vrijwillig lid van het Gemenebest werden, noemt Moynahan in zijn boek “een graadmeter voor de waardigheid” waarmee het dekolonisatieproces verliep.

Uitverkoren volk

Rampzaliger, veel rampzaliger dan het verlies van het wereldrijk vindt Moynahan dat Groot-Brittannië zijn zelfvertrouwen is kwijtgeraakt. Dat schaamteloze, onbegrensde zelfvertrouwen beschouwt hij als een van de belangrijkste pijlers van het Britse imperium. Al dateert die innige zelfgenoegzaamheid van veel eerder. Ze kon alleen maar ontstaan op een eiland, meent Moynahan. Een eiland dat sinds 1066 geen vreemde overheersers meer gekend had. Ook speelde een rol dat de natie in de zeventiende eeuw al een koning had onthoofd, lang vóór de Franse revolutie. Uit de Burgeroorlog was een constitutionele monarchie met een machtig parlement gegroeid. Anders dan op het Europese vasteland ging de industriële revolutie in het Verenigd Koninkrijk niet gepaard met grote sociale onrust. “Het was deze maatschappelijke stabiliteit”, zegt Moynahan, “die in de negentiende eeuw tot een ongekende groei van het zelfvertrouwen en de welvaart heeft geleid.”

Die stabiliteit werd alom bewonderd, maar was lastig te imiteren, schrijft Moynahan in The British Century. “De kracht van het systeem zat namelijk voor een groot deel in het vermijden van het stelselmatige.” Juist omdat Groot-Brittannië geen geschreven grondwet had, kon het bestuurlijk apparaat zich makkelijk aanpassen aan wisselende omstandigheden, onder het motto dat het compromis toch altijd verkieslijker dan de confrontatie is. Die houding was niet erg principieel maar wel flexibel. Moynahan constateert dat de Britten zich ook moreel in de vorige eeuw bijzonder buigzaam toonden. “Kort gezegd: ze waren hypocrieten. Het Britse rijk demonstreerde dat hypocrisie ook een deugd kan zijn.”

De Britten beschouwden zichzelf als een uitverkoren volk, geboren om te leiden,door de evolutie als een elite geselecteerd. “We zijn nu eenmaal het beste volk ter wereld”, verklaarde de staatsman-ondernemer Cecil Rhodes, “met de meest hoogstaande opvattingen over fatsoen en rechtvaardigheid en vrijheid en vrede. En hoe groter deel van de wereld wij bevolken, des te beter het voor de mensheid is.” Ten overvloede voegde hij daaraan toe dat heel de wereld Brits zou moeten zijn - “en de maan ook, daar denk ik dikwijls aan”. Moyanhan erkent dat “de grens tussen de natuurlijke autoriteit van de Britten en regelrechte arrogantie niet altijd even scherp was”. Hij doelt op landgenoten als Viscount Curzon, onderkoning van India, die zijn onderdanen toesprak “zoals een godheid zich tot kakkerlakken richt”.

Die onverhulde grootheidswaan werd gesteund door de feiten. In de vorige eeuw groeide het Britse rijk jaarlijks met gemiddeld 100.000 vierkante mijlen. Toen koningin Victoria in 1897 haar zestigjarig ambtsjubileum vierde, heerste ze over een kwart van de wereldbevolking. Tweederde van alle schepen die over de oceanen voeren, was in het Verenigd Koninkrijk gebouwd.

Later is het venijnige retoucheren van de Britse glorietijd begonnen. Al na de loopgravenoorlog van 1914-1918, die volgens Moynahan voorgoed het onvoorwaardelijke Britse vertrouwen in autoriteiten ondermijnde. Leden van de kunstzinnige Bloomsbury Group, zoals Duncan Grant en Virginia Woolf, schepten er een satanisch plezier om zich tegen de mores van de Victorianen af te zetten. Het was de tijd dat het Verenigd Koninkrijk met de omstreden tweedeling van Ierland zijn oudste kolonie verloor.

Meedogenloos

Bewondering voor de daadkracht en onbaatzuchtigheid waarmee Groot-Brittannië de meest uiteenlopende negorijen bestuurde, maakte ook in het buitenland plaats voor de kwaadsprekerij dat de Britten alleen maar uitbuiters waren.

Onbetwiste coryfeeën van weleer vielen ten prooi aan laster en politieke correctheid. Lytton Strachey publiceerde in 1918 zijn Eminent Victorians, waarin hij de vloer aanveegde met tal van negentiende-eeuwse helden. “Niet beperkt door vermoeiende overwegingen over waarheidsgehalte en rechtvaardigheid van zijn portretten”, zoals Moyanahan schrijft. Zo kon Rhodes als 'racistische megalomaan' worden bestempeld en ging Baden-Powell als 'crypto-fascist' de geschiedenis in.

Terwijl de Britten zich volgens Moynahan in den vreemde niet door lust naar bezit en macht lieten leiden, maar door een dwingend plichtsgevoel. Als rentmeesters van de aarde was het hun taak de vooruitgang en het algemeen belang te dienen. Wat door de Britse schrijver Rudyard Kipling als white man's burden werd omschreven: de last die de blanke torst. Superioriteit die verplicht.

Soms waren de Britten ook meedogenloos, Moynahan erkent het. Hij staat een moment stil bij de aboriginals in Tasmanië, de maori's in Nieuw Zeeland, de indianen in Brits Colombia en de eilandbewoners van de Stille Oceaan die de Britse missie met de dood betaalden. Het Britse rijk kende zijn excessen: bloedbaden, strafkampen, martelpraktijken. “Maar het waren er opmerkelijk weinig”, zegt Moynahan tot twee keer toe.

Hij heeft geschiedenis gestudeerd in Cambridge en heel zijn leven als journalist gewerkt. Als verslaggever van The Sunday Times voorspelde hij al in de jaren zestig de ondergang van de Britse autoindustrie en scheepsbouw na bezoeken aan bedrijven in het Verre Oosten. Dat kwam hem destijds op het verwijt te staan dat hij niet vaderlandslievend genoeg was. Als buitenlands correspondent volgde hij ook de tactische terugtrekking van Groot-Brittannië uit Azië, Afrika en het Midden-Oosten. In Borneo, Oman, Belize en Ulster heeft hij de Britse troepen nog in actie gezien.

The British Century is zijn zevende boek en zijn eerste over Groot-Brittannië.Dat vertelt hij in zijn Victoriaanse rijtjeshuis vlakbij Albert Bridge in Londen. Blote voeten in gemakschoenen. Een grijsblauw polo-shirt met korte mouwen. Een pakje Camel binnen handbereik.

Sinds hij in 1989 vertrok bij The Sunday Times “omdat al mijn vrienden waren verdwenen”, heeft hij vier boeken over de vroegere Sovjet-Unie gepubliceerd.

Met groot succes. Een van die werken was The Russian Century, een fotografische geschiedenis van Rusland, die door de recensenten werd bejubeld.

Daarna was het niet meer dan logisch dat hij als schrijver van The British Century werd gevraagd.

The British Century is van eenzelfde eenzame klasse als The Russian Century.

Prachtige, schokkende en ontwapende foto's die in veel gevallen pas voor het eerst worden gepubliceerd. Verder is er de steeds heldere, steeds prikkelende tekst van Moynahan, die uitblinkt in de treffende beschrijving, het smeuïge detail en het humoristische citaat. Maar Moynahan wil niet dat zijn werk als “populaire geschiedschrijving” wordt afgedaan, alleen maar omdat zijn boek ontzettend grappig is en goed geschreven. Weliswaar heeft hij niet de pretentie een volslagen nieuwe kijk te bieden op de moderne Britse historie.

Maar hij vindt dat hij in The British Century wel degelijk strooit met orginele ideeën en nieuwe accenten legt.

Toen hij aan zijn mammoetklus begon, besloot Moynahan eerst één enkel jaar te bestuderen. Hij koos 1947, niet omdat het precies een halve eeuw geleden was, maar omdat 1947 het eerste jaar was dat hij als zesjarig jongetje uit eigen ervaring kende. Hij herinnerde zich de sneeuwbalgevechten en het ijs op de vijvers. Hij wist ook nog dat hij zich er terdege van bewust was dat hij behoorde tot een supermacht.

Bestudering van 1947 bleek een ontluisterende ervaring. “Een keerpunt. Het was het jaar dat India zich losrukte van Groot-Brittannië. En het stond vast dat de rest moest volgen mettertijd.”

Brood op rantsoen

Het Verenigd Koninkrijk verkeerde in een uiterst paradoxale en volstrekt onhoudbare situatie. Groot-Brittannië bestuurde eenderde van de mensheid, het Britse rijk was groter dan ooit. De Britten hielpen nu ook mee om Duitsland, Oostenrijk en Italië te besturen.

Tegelijkertijd balanceerde dat machtige, triomfantelijke Groot-Brittannië op de rand van een bankroet. De Tweede Wereldoorlog had het land naar schatting 28 miljard pond gekost. Alleen dankzij Amerikaanse leningen kon de nieuwe Labourregering haar geldverslindende beloften tegenover de kiezers waarmaken en met de opbouw van de welvaartsstaat beginnen.

Ondanks de immense, internationale verplichtingen en ondanks de grote financiële nood, voelde Groot-Brittannië zich in 1947 ook nog verantwoordelijk voor het humanitaire leed op de wereld. Om Duitsland en Palestina te helpen voeden, bracht de Britse bevolking grote offers: het brood ging op rantsoen - iets wat gedurende de hele Tweede Wereldoorlog niet nodig was geweest.

Des te harder kwam het aan dat de Britten merkten “dat niemand meer van ons houdt”, zoals Moynahan in The British Century aanhaalt. “Het respect en de bewondering waren overgedragen op de Amerikanen”, zegt Moynahan nuchter. “Die fase waren wij voorbij.”

Dat besef drong in het Verenigd Koninkrijk pas goed door in de jaren zestig.

Na het debacle van de Suez-crisis in 1956 werd het ook knap lastig om de illusie van Groot-Brittannië als grootmacht nog overeind te houden. Ook al had het land nog steeds troepen gelegerd in meer landen dan welk ander NAVO-lid dan ook. Al nam de natie nog altijd eenvijfde van de wereldexport voor haar rekening.

Als Groot-Brittannië er al in slaagde om de nieuwe werkelijkheid te negeren, waren er altijd wel behulpzame buitenlanders om het land eens flink de waarheid te zeggen. Zoals de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Dean Acheson, die in 1962 wreedaardig verklaarde: “De Britten hebben een imperium verloren en een rol hebben ze nog niet gevonden.” Volgens Moynahan heeft het Verenigd Koninkrijk in de jaren zestig wel degelijk een nieuwe rol gevonden, al was het maar bij toeval en zeker zonder plan. De wetenschap dat Groot-Brittannië niet meer voor het heil van de wereld hoefde zorgen, werkte ook bevrijdend. De ontketening van het plichtsgevoel leidde tot een explosie van creativiteit. Zo kon het Verenigd Koninkrijk zich in de jaren zestig ontpoppen “van wereldmacht tot mondiale amusementsleverancier”, zegt Moynahan. Centrum van muziek en kunst en mode. Het enige land dat de Verenigde Staten nog concurrentie biedt in popcultuur.

Maar uit die geslaagde metamorfose weten de Britten anno 1997 weinig voldoening te putten. Het probleem met het volk dat aan het begin van deze eeuw nog zo dol was op zichzelf, “is misschien dat het worstelt met een gebrek aan eigenliefde”, oppert Moynahan. Dat komt volgens hem door “die verschrikkelijke jaren zeventig”. “Het decennium dat de vakbondsleider, de kampioen van de gewone man, tot bullebak van een natie werd.” Toen lezers van The Sunday Times hun zondagsblad omdoopten tot Sunday Sometimes omdat de krant zo vaak door stakingen werd getroffen. Moynahan klaagt dat zelfs de schandalen in de jaren zeventig niet vermakelijk waren. “We waren de zieke man van Europa. De ene na de andere bedrijfstak legde het loodje. We dreigden gedeïndustrialiseerd worden. Langzaam dreven we af naar de status van een Derde-Wereldland.”

Volgens Moynahan is het misplaatst om te zeggen dat Margaret Thatcher het land van de ondergang gered heeft. “Groot-Brittannië had de wens om te overleven.

Daarom bracht het Thatcher aan de macht.” Maar achttien jaar Conservatieven hebben het zelfrespect van een natie niet kunnen herstellen. “Terwijl Groot-Brittannië alle reden heeft om trots te zijn”, vindt Moynahan. Het land heeft nooit geschreeuwd om een revolutie. Het volk heeft nooit serieus geflirt met fascisme of communisme. “We zijn steeds verbluffend verstandig gebleven.”

Een vertaling van het boek van Moynahan verschijnt 1 oktober bij uitgeverij Anthos: De eeuw van Engeland; Honderd jaar Britse geschiedenis, Anthos, ƒ89,50 ISBN 90 414 02 381

Foto 1: Koningin Victoria houdt kantoor in haar tent in de tuin van Frogmore House, Windsor. Zij was in 1876 uitgeroepen tot keizerin van India; nooit heeft zij de 'Jewel in the Crown' bezocht, maar vanaf 1887 gaf zij haar hof een Indiaas tintje door enkele Indiase bedienden aan te nemen.

De beroemdste was wel Abdul Karim, de Munshi. De koningin mocht zich graag overgeven aan bazige mannen en de Munshi kon haar commanderen en koeioneren, zeer tot ongenoegen van de rest van het hof en haar kinderen. Minister-president Lord Salisbury zei erover: 'Ze is dol op emotionele opwinding, omdat dat nu eenmaal de enige vorm van opwinding is die ze kan krijgen.' Foto Hill en Saunders

Foto 2: 'Melkboer doet zijn werk temidden van de brokstukken', luidde het bijschrift bij de foto van 10 oktober 1940. De 'Blitz', zoals de nazi-bombardementen werden genoemd, was het eerste ongerief dat buitenlanders het Britse volk op zijn eilanden bezorgde, sinds de Normandiërs waren geland, 874 jaar eerder. De verwachting was dat 600.000 mensen zouden omkomen bij de eerste luchtaanvallen en dat dan de nationale moraal zou instorten als een ruïne. Het is niet gebeurd en deze foto geeft een van de grote, psychologische keerpunten in de moderne geschiedenis weer. Hitler deed dan wel zijn best, de man en de vrouw in de straat wilden van geen opgeven weten. Zij 'deden hun werk', net als de melkboer Foto Hulton Getty Collection

Foto 3: Minister-president Margaret Thatcher zamelt geld in tijdens een congres van haar conservatieve partij in Blackpool. Het is 1983, ze heeft net voor de tweede keer de verkiezingen gewonnen. De gematigde conservatieven - de afgeblazen wets (slappelingen) zoals zij ze noemt - heeft ze uit het kabinet gegooid. De lange traditie van politieke consensus en compromis ligt onder vuur. En zij verzamelt kracht voor haar radicale privatiseringscampagne. De eerste vrouwelijke premier, de eerste die drie verkiezingen op rij won - Margaret Thatcher was de meest gezichtbepalende minister-president in vredestijd. Koppig in haar voornemens - 'de dame maakt geen rechtsomkeert', zei ze van zichzelf - moedig op het persoonlijke en het politieke vlak. Ten slotte ging haar vastberadenheid over in een triomfalisme, waarmee zij zich niet geliefd maakte in haar eigen partij, en die haar zintuig voor gevaar afstompte. Niettemin hebben haar grote campagnes - privatisering van de staatsbedrijven, de hervormingen van de vakbonden en het idee van de betaalbare verzorgingsstaat - haar val overleefd. Foto Mike Abrahams.