Gek geworden

We werken in hetzelfde huis, de 50-jarige Slavisa en ik. Het is het huis van mijn Bosnische kennissen die nu in Nederland wonen, en het staat aan de rand van Zenica. Slavisa wit muren, isoleert het dak, plaatst een nieuwe boiler in de badkamer, repareert keukenkastjes.

En ik, terug van een wandeling, schrijf.

Stipt acht uur 's ochtends belt hij aan en ik, die dan al gedoucht heb, doe hem open. We drinken koffie, gaan aan het werk - ieder z'n eigen werk. Slavisa werkt hard en precies. Hij moet werken, zegt hij, om niet te hoeven denken.

's Middags eten we samen en 's avonds weer. Meestal maakt Slavisa een boodschappenlijstje, doe ik de boodschappen, en bereidt Slavisa een Bosnisch gerecht. De drie dagen dat ik Zenica ben, is dat de regelmaat, en het bevalt me goed.

Tijdens de koffie en eten vertelt Slavisa, en ik luister. Dat is voor mij, die de taal wil leren, het prettigst. Af en toe reageer ik op wat hij zegt en ontspint zich een discussie.

Maar meestal is Slavisa aan het woord.

Slavisa heeft de neiging te doceren en dan is hij bondig. Dan spreekt hij langzaam, gearticuleerd, en buigt hij zich naar mij over - totdat de afstand tussen zijn hoofd en het mijne nog maar twintig centimeter is. En terwijl hij spreekt, soms ook nog met zijn wijsvinger tussen onze gezichten, blijft hij mij strak aankijken. Ik kan mij dan niet meer concentreren op wat hij zegt. Ik zie alleen nog het gelige eelt op die vinger, de lichtbruine vlekjes in zijn groene ogen.

Er is een grens aan indringend spreken.

Heeft hij die manier van doen overgehouden aan het leger? Want Slavisa was - voor de oorlog, tot de oorlog, officier in het Joegoslavische leger. Met het uitbreken van de oorlog is hij - Serviër in moslimgebied - gevlucht naar Servië.

En daar is hij gek geworden. Daar heeft hij twee jaar in een gesticht doorgebracht. Pas na de oorlog is hij teruggekeerd naar Zenica.

Zijn vrouw wil van hem scheiden. Zelf zegt hij dat zijn vrouw - moslimse - hem niet meer wil hebben omdat hij Serviër is. Slavisa woont nog altijd met zijn vrouw en dochters in een en hetzelfde huis, want waar moet hij naar toe, maar noch zijn vrouw noch zijn dochters spreken met hem. Geen woord. Hij loopt in zijn eigen huis rond als een paria. Hij is er liever niet.

Als Slavisa doceert is hij bondig; en ook als hij vertelt, formuleert hij afgemeten. Maar het tempo waarin hij vertelt, is traag. Onze gesprekken duren lang. Ik weet precies hoe zijn vrouw hem aankeek, of liever hoe zij zijn blik ontweek, toen hij weer, vermagerd en ziekelijk, bij hen op de stoep stond, hoe zij tegen hem zei: “Ik wil niets meer met je te maken hebben”, en zich van hem afkeerde.

Dergelijk leed wekt weinig respect op. De ex-officier wordt door anderen, die hier op bezoek komen, geminacht. Achter zijn rug om zeggen zij tegen mij: Slavisa heeft niet in het gekkenhuis gezeten. Hij heeft met de Serviërs meegevochten. Zijn vrouw - zegt Slavisa - verwijt hem in de oorlog geen geld te hebben gestuurd, vrouw en kinderen aan hun lot overgelaten te hebben. Kennelijk gelooft ook zij hem niet. Want hoe zou je vanuit het gekkenhuis - en zonder baan - geld kunnen sturen?

Ik geloof Slavisa wel. De man aanziend: hoe zou je het niet kunnen geloven? Iedere vezel van zijn lichaam verraadt nervositeit, spanning, stress.

Slavisa heeft, als officier in het leger, Joegoslavië meer dan twintig jaar gediend. En Slavisa is geen domme man. Hij moet geloofd hebben in het communistische Joegoslavië van Tito. Over het nabije Italië, waarheen hij vaak reisde, zegt hij: “Daar worden 'savonds de winkels met ijzeren hekken afgesloten. Zijn dat de vruchten van de democratie? De mensen werken er tot 's avonds laat. Hier begonnen we om zeven uur en waren om drie uur vrij. Wanneer gaan de Italianen naar de bioscoop? Naar het theater?”

Het zijn de redeneringen van een man met oogkleppen, die slechts ziet wat hij wil zien. Het moet voor zijn vrouw moeilijk zijn geweest met hem samen te leven.

Slavisa moet ook geloofd hebben in de eenheid van de verschillende volkeren - Kroaten, Serviërs en moslims. En dan breekt er oorlog uit. Alles waar hij voor gewerkt heeft, waar hij in geloofde, wordt door die oorlog ontkend en vernietigd. Slavisa wilde en kon in de oorlog geen partij kiezen. Het is eigenlijk verbazingwekkend dat maar zo weinigen in de oorlog gek geworden zijn.