Gaten in het woud; Eerste bewoners Europa troffen park aan

Volgens de gangbare theorie hebben de eerste landbouwers vijfduizend jaar geleden bos moeten kappen om akkers te kunnen aanleggen. Maar was Europa wel geheel bedekt met bos?

MIDDEN- EN WEST-EUROPA zijn nooit bedekt geweest met een aaneengesloten bos. De eerste bewoners troffen een parkachtig landschap aan waar bomen, doornstruwelen en graslanden elkaar afwisselden. Grote grazers zoals tarpan en wisent droegen ertoe bij dat dit landschap in stand bleef. Dr.

Frans Vera, die deze week aan de Landbouwuniversiteit Wageningen promoveerde op deze stelling, pleit om die reden voor bijstelling van de doelstellingen van het natuurbeleid.

Volgens de gangbare theorie hebben de laagvlaktes van Midden- en West-Europa zich na de laatste ijstijd geleidelijk ontwikkeld van een steppetoendra tot een uitgestrekt, aaneengesloten loofbos met eiken, linden, beuken, essen, iepen en haagbeuken. In die opvatting hebben de eerste landbouwers zo'n vijfduizend jaar geleden dat bos moeten openkappen om akkers te kunnen aanleggen en het vee te kunnen weiden. De Deense paleo-ecoloog J. Iversen schrijft de achteruitgang van deze bossen toe aan de eeuwenlange beweiding die daarop volgde. In zijn 'Landman'-theorie zouden paarden, koeien, schapen en geiten de verjonging van het bos hebben tegengegaan door zaailingen te vertrappen en af te vreten. En met de gestage toename van het aantal stuks vee zou het bos op den duur zelfs zijn gedegenereerd tot heide en zandverstuiving.

Experimenten waarbij de beweiding werd gestaakt, waarna de bosvegetatie zich herstelde, sterkten de onderzoekers in de theorie dat Europa ooit door een aaneengesloten bos was bedekt.

“Maar stel dat dat zo is geweest, dan blijft er het probleem van de verjonging van eiken en hazelaars”, aldus Vera. “Het is in de bosbouw algemeen bekend dat eiken en hazelaars zich in een gesloten bos niet kunnen verjongen. Toch vinden we in de pollen-diagrammen van het Atlanticum tot dertig procent eiken, terwijl op sommige plaatsen het aantal pollen van de hazelaar twee keer hoger uitvalt dan dat van alle bomen bij elkaar.”

Die tegenstrijdigheid deed Vera besluiten de drie onderzoeksvelden die tot de gangbare theorie hebben geleid kritisch door te nemen. Dat waren behalve de palynologie (de analyse van fossiele stuifmeelkorrels) de successietheorieën van o.a. Clements en de interpretaties van historische bronnen. “In de palynologie is de theorie dat de oorspronkelijke begroeiing bos was, van het begin af aan niet als werkhypothese beschouwd en daarom nooit getoetst”, stelt Vera. “Palynologen hebben de theorie naar de prehistorie terug geëxtrapoleerd en vervolgens heeft iedereen de gegevens uit de prehistorie uitgelegd als een bevestiging van de theorie.”

Op de theorieën van Clements en anderen die stellen dat de plantengroei zich geleidelijk ontwikkelt tot een climax en dat de van nature aanwezige herbivoren daar geen invloed op hebben, werpt Vera tegen dat die is gebaseerd op experimenten waarin geen dieren participeerden. “Alleen al het feit dat uit allerlei opgravingen blijkt dat na de laatste ijstijd de grazers er eerder waren dan de bomen, geeft aan dat er iets wringt. Hoe heeft zich een bos kunnen ontwikkelen ondanks al die zaailingen etende en vertrappende dieren? En wat hebben al die dieren, waaronder graseters als rund en paard, te zoeken in een ondoordringbaar bos dat er dan toch uiteindelijk zou zijn gekomen?”

Vera's derde methode om de heersende opvatting te toetsen, bestond uit een onderzoek naar de interpretatie van Middeleeuwse bronnen over het gebruik van de laatste stukjes wildernis door de mens. “Bij woorden als woud en wald denkt iedereen nu aan bos. Maar het blijkt dat die begrippen een aanduiding zijn voor alle niet in cultuur gebrachte wildernis. Het wald werd behalve voor houtwinning gebruikt als bijenweide, ganzenweide en veeweide. Dat roept niet het beeld van gesloten bos op.”

SILVA HORRIDA

Ook de veel aangehaalde beschrijving van Tacitus als dat Germania uit een 'silva horrida' bestond, heeft bijgedragen aan de indruk dat deze streken uit 'verschrikkelijke, ondoordringbare donkere wouden' bestonden. Vera: “Maar 'horrida' kan ook vertaald worden met 'doornig', 'stekelig' en dan krijg je ineens een ander beeld. Dat doet denken aan meidoorns en sleedoorns.” Juist die struiken spelen een belangrijke rol in de theorie die Vera verkondigt, de theorie van de cyclische turnover van vegetaties. “Ik stel dat grote grazers voor een parkachtig landschap hebben gezorgd. Tarpan, oerrund en in mindere mate wisent en edelhert hielden op sommige plaatsen het gras kort. Daar konden zich doornstruiken vestigen die uitgroeiden tot struwelen. En binnen dat natuurlijke prikkeldraad kregen kiemplanten van eik en andere bomen we1 een kans om te groeien tot ze groot genoeg waren om buiten het bereik van de bekken van al die grazers te blijven.”

Volgens Vera breidde het bos zich daarna in het grasland uit met de snelheid waarmee de sleedoorn zich met zijn ondergrondse uitlopers verbreidde. In het groter wordende bos vond op den duur geen verjonging meer plaats als gevolg van de schaduwwerking van de zware kronen van linde en beuk. De doornstruiken stierven af, geleidelijk degenereerde het bos weer tot graslanden en kon de cyclus opnieuw beginnen.

De Vlaamse gaai is in het proces van de verjonging van de eik onmisbaar. Vera: “Die neemt eikels mee en stopt ze in de grond, bij voorkeur op open plekken bij overgangen van gras en ruigtes, bij heggen en struiken. Juist op zulke plaatsen kunnen de lichtbehoeftige eiken wel opgroeien, terwijl ze het in dichte bossen moeten afleggen tegen schaduwverdragende zaailingen van met name de beuk.”

De aaneengesloten bossen die er in het laagland toch te vinden zijn, verklaart Vera als een menselijk artefact uit de laatste eeuwen. “Pas in de 18de en 19de eeuw, toen het weiden van vee in bossen werd gestaakt, ontwikkelden de bossen zich tot de boombossen die we nu kennen.” Het verbod op het weiden van vee in de bossen had van doen met de aandrang van de bosbouwers om bosbouw en veeweide te scheiden. En met het beschikbaar komen van de aardappel als veevoer, was het ook niet langer nodig de varkens te 'akeren', te laten zoeken naar akers, eikels. De eiken werden gekapt en maakten plaats voor andersoortige akkers.

Voor het natuurbeleid, waarin Vera de afgelopen decennia een vooraanstaande rol heeft gespeeld, zouden de nieuwe inzichten ook gevolgen moeten hebben. “Als het doel van natuurbeleid nog steeds is het veiligstellen van de natuurlijke erfenis, dan hanteren we een verkeerd referentiebeeld.”