De omstreden beloning van de bedenkers van de Postcodeloterij; Het beste lot uit de loterij

Loterijen zijn in Nederland voor de staat of voor het goede doel. De buitengewoon succesvolle postcodeloterij is wat dat betreft een vreemde eend in de bijt. Dankzij haar commerciële aanpak is zij nu de grootste financier van charitatieve instellingen - waarvan minstens een voor zeker de helft van zijn budget van de loterij afhankelijk is. Maar ook de initiatiefnemers, tevens bestuursleden, verdienen er rijkelijk aan. Het rumoer daarover, dat al jaren geleden ontstond, is nog steeds niet verstild.

Het rustige, welhaast gezapige wereldje van loterijen in Nederland voelde zich begin jaren negentig overvallen door het ongekende succes van de Nationale Postcodeloterij. Boudewijn Poelmann, een van de initiatiefnemers en bestuursleden van de Postcodeloterij, heeft een ondubbelzinnige verklaring voor de onstuimige groei: “Wij hebben met een totaal commitment een goed produkt neergezet in een suffige loterijmarkt. In een markt van gezapigheid, weinig spelers en gevestigde posities.”

De marktgerichte aanpak van de Postcodeloterij, in combinatie met de snelle expansie en de openlijke kritiek van de initiatiefnemers op het 'gezapige' loterijwereldje, zette al ras kwaad bloed. De initiatiefnemers van de Postcodeloterij, tot op de dag van vandaag nog steeds de drijvende krachten achter het spel, werden in de beslotenheid van de bestuurskamers van andere kansspelen niet zelden afgedaan als snelle jongens uit de marketing en media wereld die een aardige loterijformule hadden bedacht, daar wat goede doelen hadden bijgezocht en er, geheel conform de wetten van de commercie, ook nog zèlf een aardige centje aan verdienden.

Het was met name de onconventionele honorering voor de initiatiefnemers/bestuursleden van de Postcodeloterij waar anderen over struikelden. Een honorering die er van uitgaat dat succes beloning verdient, dat de initiatiefnemers recht hebben op een bonus als hun loterij extra opbrengst genereert.

Die bonus kweekte verontwaardiging. Niet in de laatste plaats bij andere loterij-bestuursleden die hun werkzaamheden, conform de ongeschreven regels in de wereld van de charitas en andere goede doelen, vaak belangenloos verrichten. Verontwaardiging over het feit dat het eigen gewin en het goede doel zomaar hand in hand konden gaan - zonder dat een of andere toezichthoudende instantie ingreep. In Nederland waren het altijd strikt gescheiden werelden geweest. Die van de commercie en die van het nobele Goede Doel.

Bij de Postcodeloterij bleken beide werelden elkaar echter te raken - met als verrassend effect een ongebreidelde groei van de opbrengst voor de goede doelen, maar tevens het idee dat het hier om ongeoorloofde pratijken zou gaan. De verontwaardiging vond al in 1992 haar uitweg via de Telegraaf in een publiekelijk debat over de Postcodeloterij. Een debat dat troubleshooter Walter Etty op last van de toenmalige staatssecretaris Kosto (Justitie) een half jaar later afrondde met de conclusie dat er (onder meer) met de betaling aan de initiatiefnemers weinig mis was.

De wrevel over de bonus die desalniettemin bleef voortleven, vond twee jaar later (eind 1994) zijn weerslag in het onderzoeksrapport Wat Etty niet wilde zien en wat Kosto niet wilde horen, waarin de retorische vraag centraal staat of de betalingen aan de vier initiatiefnemers (kortweg 'de vier' genoemd) wel strookt met de wet. Want, schrijft artikel 2:285 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek niet voor dat het doel van een stichting niet mag inhouden “het doen van uitkeringen aan oprichters”?

Het onderzoek, een afstudeerscriptie, werd warm omarmd door een aantal bestuursleden van concurrerende loterijen en in verkorte en aangedikte versie in omloop gebracht. Het vormde destijds de inzet van een mislukte campagne van een enkel vasthoudend bestuurslid om de initiatiefnemers van de Postcodeloterij uit het zadel te wipppen. “Charitas is vrijwilligerswerk. Daar mag je niet miljoenen guldens aan verdienen. Die vier [directeuren] hadden allang vervangen moeten worden.” Het bewuste bestuurslid heeft zelfs tot in de hogere regionenen van het Openbaar Ministerie en tot in de Tweede Kamer gelobbied tegen de vier initiatiefnemers. Maar zonder enig resultaat.

De Nationale Postcodeloterij heeft zich in de ruim zeven jaar van haar bestaan ontwikkeld tot de allergrootste fondsenwerver voor goede doelen in Nederland. Met een uitgekiende marketingmix van glitterende tv-shows, hoge prijzen en goede doelen, liet de loterij het merendeel van haar vijf concurrenten in snel tempo achter zich. Bijna de helft van de Nederlandse huishoudens is nu deelnemer.

De Postcodeloterij wist haar bruto opbrengst op te jagen tot 390 miljoen gulden (1996). De opbrengst van de Bankgiroloterij bleef daarentegen schommelen rond de 140 miljoen gulden. Die van de Sporttotalisator bleef steken beneden de 260 miljoen. En die van de Sponsorloterij, gelijk begonnen met de Postcodeloterij, kroop slechts zeer geleidelijk naar 23 miljoen in 1996. Alleen de Staatsloterij wist een substantiële groei te realiseren van 622 miljoen in 1991 naar 923 miljoen in 1996, al bleef die groei zowel in relatieve als absolute termen achter bij die van de Postcodeloterij.

Afgelopen jaar haalde de Postcodeloterij méér geld op voor goede doelen (235 miljoen) dan de vijf overige Nederlandse loterijen bij elkaar (218 miljoen) - de Staatsloterij niet meegerekend (169 miljoen) want de de schatkist kan geen aanspraak maken op het predikaat 'goed doel'.

Dank zij haar ontstuimige groei heeft de Postcodeloterij een groot aantal gerenommeerde instellingen aan zich weten te binden. Zo dekt ze een vijfde van de begroting van Natuurmonumenten, een kwart van het budget van Artsen Zonder Grenzen, een derde van dat van Unicef Nederland, een derde van de Novib, meer dan een derde van de begroting van Het Wereld Natuurfonds en meer dan de helft van het budget van Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland.

De jaarlijkse automatische overmaking van de Postcodeloterij komt voor hen als een waar godsgeschenk in een tijd van terugtredende overheid, van toenemende concurrentie om de gunst van de goedgeefse Nederlander, van oplopende kosten voor eigen fondswerving en van stagnerende groei in de charimarkt. (Sinds 1995 blijft het bedrag dat de Nederlanders weggeven aan goede doelen steken op zo'n kleine 2,5 miljard gulden per jaar, inclusief het geld dat de kerken ophalen, aldus Jan Lasker van het bureau Mediad dat de Nederlandse charimarkt in kaart brengt.)

Drijvende krachten achter de Postcodeloterij zijn nog steeds de vier initiatiefnemers van het eerste uur die de loterij in 1990 zijn begonnen. Voorzitter van het bestuur en de directie is de ex-pater Simon Jelsma, oprichter van de ontwikkelingsorganisatie Novib. Sleutelfiguur in het bestuur is oud-Novib voorlichter Poelmann, die na een studie Nijenrode en een afgebroken studie politicologie nu al vele jaren zijn kennis en ervaring op het terrein van media en marketing ten dienste stelt van goede doelen en van zijn eigen commerciële activiteiten.

Belangrijk bedrijf achter de Postcodeloterij is nog steeds het Amsterdamse Novamedia, eigendom van Poelmann en een van zijn mede-bestuurdersleden van de Postcodeloterij, Herman De Jong.

Jelsma en het vierde bestuurslid van de Postcodeloterij, Frank Leeman, opereren als vaste adviseurs van Novamedia en krijgen hun inkomsten uit de Postcodeloterij via het Amsterdamse bedrijf uitgekeerd aan hun eigen vennootschap, 'Plein 2000' respectievelijk 'Wardour'.

Directe aanleiding om een nieuwe loterij voor goede doelen te starten vormde destijds de financiële nood bij het Derde Wereld persbureau IPS Nederland. De totale netto opbrengst van de loterij (conform de wet op de kansspelen steevast ten minste 60 procent van de bruto omzet) ging de eerste jaren naar Vluchtelingenwerk Nederland, Novib, Natuurmonumenten en het fonds bijzondere uitkeringen, later omgedoopt tot Stichting Doen dat op zijn beurt weer het geld uitkeerde aan allerlei instellingen, in het begin ook aan IPS (waar het ten slotte allemaal om begonnen was). “Het succes kwam volkomen onverwacht”, vertelt Jan Nico Scholten, voorzitter van Vluchtelingenwerk Nederland en nauw betrokken bij de opzet van de loterij. “In het begin waren we blij met elke 10 duizend gulden. Al snel met elk miljoen. En nu zitten we op meer dan 20 miljoen per jaar en hopen we door te kunnen groeien naar de 30 miljoen!”

Het succes was zo onvoorzien dat ook de exponentiële stijging van de honorering voor de initiatiefnemers een aangename verrassing moet zijn geweest. Kregen de vier in 1990 ruim een half miljoen via het bedrijf Novamedia, in 1991 was dat bedrag al opgelopen tot ruim 3 miljoen en in 1992 kwam het zelfs boven de ruim 7 miljoen uit.

Contractueel was namelijk vanaf het begin vastgelegd dat de initiatiefnemers/bestuurders van de Postcodeloterij via Novamedia voor de eerst komende dertig jaar een vergoeding zouden krijgen van 4,5 procent van de bruto opbrengst (vanaf 1993: 4 procent). Een vergoeding voor het licentiegebruik van het concept van de postcodeloterij en voor de directievoering.

Een honorering die later door troubleshoter Etty werd gekarakteriseerd als “belonging van hoge omzet die de initiatiefnemers prikkelt om de Postcodeloterij te laten groeien”. Voor eventueel uitvoerend en voorbereidend werk werd Novamedia apart betaald, aldus Etty.

Deze ongebruikelijke honoreringsformule bleef zoals al gezegd niet lang onopgemerkt, en leidde in '92 tot het onderzoek van Etty in opdracht van staatssecretaris Kosto, wiens justititedepartement meende dat de vergoeding aan de oprichters van de Postcodeloterij “buiten alle proporties” was geraakt. Kosto's kritiek op de organisatie van de loterij weerhield hem er echter niet van om partijgenoot Etty op het hart te drukken de toekomst van de Postcodeloterij in hemelsnaam zeker te stellen. “Kosto zei me: zorg er wel voor dat de zaak blijft lopen, sommige goede instellingen zijn er èrg afhankelijk van”, zo verklaarde Etty onlangs nog.

Geen gemakkelijke taak dus voor Etty, want de omstreden initiatiefnemers van de Postcodeloterij hadden zèlf de intellectuele rechten op de namen 'Postcodeloterij' en 'Postlot', hadden dus zèlf het lot van de loterij in handen.

Toen de ergste ophef was overgewaaid, kwam Etty begin 1993 met de resultaten van zijn onderzoek. Hij concludeerde dat er geen sprake was van persoonlijke verrijking, noch van ontoelaatbare belangenverstrengeling en dat de honorering voor Novamedia (voor de initiatiefnemers) tot en met het jaar 1991 in overeenstemming was geweest met wat te doen gebruikelijk was in de branche van marktontwikkeling en -advisering. Kortom: 'marktconforme honorering' en dus toelaatbaar, aldus Etty.

Wel adviseerde hij de instelling van een Raad van Toezicht die het reilen en zeilen van de initiatiefnemers/bestuursleden in de gaten moest houden, en bepleitte hij een aanpassing van de honorering voor de initiatiefnemers omdat die vergoeding met de voortdurende groei van de loterij op een niet te accepteren hoog niveau was beland. De toen bestaande constructie leidde volgens Etty al in 1992 tot een honorering (7,3 miljoen gulden) die hoger lag dan gewoon was in de branche van marktontwikkeling en -advisering.

Het ministerie van justitie nam Etty's advies ongewijzigd over. Er kwam een Raad van Toezicht onder leiding van oud-minister Job de Ruiter. En de honorering voor Novamedia kwam te bestaan uit “een vaste component” voor de directievoering van de loterij plus een “variabele component als bonus voor ontwikkeling en groei van de loterij”. De vaste component kwam uit op 4,7 miljoen gulden per jaar. De bonus op 1,5 procent van de meer-omzet van de loterij, de omzet boven de 163 miljoen die de Postcodeloterij in 1992 realiseerde.

Vraag is nu of dat principe niet onder druk is komen te staan als gevolg van het nog steeds voortdurende succes van de Postcodeloterij. Dank zij de aan de meeromzet gerelateerde bonus zag Novamedia de afgelopen jaren zijn inkomsten uit de loterij oplopen van 5,8 miljoen in 1993, naar 7,1 miljoen in 1994, 7,3 miljoen in 1995, tot 8,1 miljoen in 1996. Het afgelopen jaar kreeg het bedrijf van de loterij-bestuursleden Poelmann en De Jong bijna één miljoen gulden méér uitgekeerd dan het bedrag dat ze in het omstreden jaar 1992 uit de loterij haalden.

Het college van toezicht op de kansspelen laat zich niet uit over de honorering van de initiatiefnemers van Novamedia. Niet in afkeurende zin, niet in goedkeurende zin.

Het college, dat er op toeziet dat de Nederlandse loterijen zich houden aan wet en regelgeving, is wel de mening toegedaan dat de Poscodeloterij het publiek te weinig inzicht geeft in de kosten die ze maakt - in dus, onder meer, de geldstromen die richting de initiatiefnemers vloeien.

“De functie van de Postcodeloterij als een van de belangrijkste gelverwervende instellingen ten behoeve van doeleinden van algemeen belang vereist een meer inzichtelijke verantwoording van de gemaakte kosten”, zo schrijft het college al in haar eerste rapportage over de jaarstukken van de kansspelen in Nederland. (Het college schrijft datzelfde overigens ook over enkele andere loterijen.)

Het college heeft de Postcodeloterij bij herhaling gevraagd openbaar te maken waar de tientallen miljoenen guldens naar toe gaan die het kansspel iedere keer weer in het jaarverslag opvoert als 'organisatie- en wervingskosten' (vorig jaar 62,8 miljoen, waaronder het geld voor Novamedia). “Juist omdat ze deze kosten niet openbaar verantwoorden kan bij het publiek de indruk ontstaan dat er wel iets mis zal zijn met die honorering van de initiatiefnemers”, constateert de secretaris van het college van toezicht, Eric van Vondelen.

De Postcodeloterij weigert tot nog toe de 'organisatie- en wervingskosten' in het openbaar nader te specificeren omdat het hier volgens haar 'marktgevoelige informatie' betreft. Wel heeft de loterij het college strikt vertrouwelijk een 'specificatie op hoofdlijnen' toegestuurd van de organisatie en wervingskosten. Het college neemt daar evenwel geen genoegen mee en heeft staatssecretaris Schmitz (Justitie) inmiddels gevraagd de Postcodeloterij te verplichten het publiek “op een meer inzichtelijke wijze verantwoording af te leggen met betrekking tot de kosten”.

Met de groei van de Postcodeloterij neemt ook de omvang toe van deze publiekelijk niet nader gespecificeerde post 'organisatie en wervingskosten'. Dat de loterij nog een flink potentieel heeft staat voor vriend en vijand vast. De Postcodeloterij is de afgelopen jaren meegegroeid met de loterijmarkt. En aan de groei van die markt (de afgelopen jaren verdubbeld tot totaal 2 miljard gulden) lijkt voorlopig geen einde te komen.

Rem op de groei van de Postcodeloterij vormt de Nederlandse overheid die met een strikt en streng regelementen- en vergunningenstelsel de goklust binnen de perken probeert te houden. De Postcodeloterij heeft het gevoel dat de overheid haar discrimineert ten opzichte van de Staatsloterij.

De staatsloterij mag bijvoorbeeld veel meer trekkingen per jaar organiseren, mag hogere lotprijzen mag hanteren.

De Postcodeloterij probeert nu aan deze discriminatie een einde te maken. Ze onderhandelt op het ogenblik met het ministerie van justitie over een nieuwe vergunning die volgend jaar moet ingaan als de huidige afloopt. “Er is nog een flinke groei mogelijk. Maar dan moet Den Haag wel meewerken. Anders loopt een groot aantal goede doelen geld mis”, zegt Jan Nico Scholten, voorzitter Vluchtelingenwerk Nederland. “Als de Postcodeloterij van de overheid dezelfde behandeling krijgt als de Staatsloterij, kunnen wij de omzet met gemak verdubbelen”, meent Poelmann.

De Postcodeloterij heeft voor haar verdere groei twee barriëres te nemen. De overheid enerzijds die als machtig semi-monopolist met een eigen loterij de schatkist spekt.

En de concurrerenten anderzijds, die soms maar moeilijk kunnen verkroppen dat de Postcodeloterij op het snijvlak van commercie en charitas zo succesvol is bij het binnenhalen van geld voor goede doelen, en dan met (anonieme) beschuldigingen komt dat daarbij sprake is van onwettig handelen“Novamedia krijgt geen gulden waar niet voor wordt gewerkt”, stelt Van der Giessen. Dat Novamedia afgelopen jaar bijna een miljoen meer ontving dan in 1992, het jaar waarin de hoogte van de honorering omstreden raakte, vindt hij logisch. De loterij behaalde immers 230 miljoen gulden extra omzet ten opzichte van het jaar 1992.

“Daar moet wel voor gewerkt worden. De directie van Novamedia ligt niet op haar rug in Zuid-Frankrijk van de zon te genieten.”

Daarbij komt, aldus Van der Giessen, dat Novamedia de licentie op het kansspel voor niet meer dan een gulden ter beschikking heeft gesteld aan de Postcodeloterij. “Een licentie levert normaal al gauw 5 procent van de jaaromzet.

Nu krijgt Novamedia 1,5 procent van de meeropbrengst. Niemand kan dus volhouden dat de honorering niet marktconform is.''

De raad van toezicht van de Postcodeloterij (te vergelijken met een raad van commissarissen) heeft inmiddels een onafhankelijk onderzoek in gang gezet naar de vraag of het bedrijf van de bestuursleden van de Postcodeloterij inderdaad nog steeds marktconform wordt gehonoreerd. “Het onderzoek was al vijf jaar gelden voorzien [na de publieke ophef over in 1992]”, vertelt Job de Ruiter, voorzitter van de raad van toezicht. “Marktconformiteit is geen statisch begrip. We zullen kijken wat het onderzoek oplevert en of we er ons voordeel mee kunnen doen”.