'De behoefte recalcitrant te zijn is weg'

Paul de Leeuw veranderde van een controversiëel zuigertje in een aimabele talkshow-host. Moeten we ons zorgen gaan maken over zijn toekomst als grensverleggend televisie-maker?

Als zijn meest controversiële uitzending ooit noemt hij die waarin een klein jongetje een liedje van Gordon mocht nazingen. Het schattige knulletje kwam een eind, maar werd halverwege zijn optreden genadeloos door Paul de Leeuw tot een halt geroepen.

“Jij zingt vals”, beet hij het beteuterd kijkende kind toe. “Ga de rest van de uitzending maar in de hoek staan.” Het jonge lipje trilde. Golven van verontwaardiging overspoelden het land.

Het was maar een grapje, zou De Leeuw later schaterend bekend maken. Hij had met het geënsceneerde optreden willen aantonen hoe ver het drillen van kind-sterretjes kan gaan. Maar het hielp niet echt. Heel Sesamstraat eiste een excuus.

De Leeuw maakt nog steeds opmerkelijke televisie, vindt hij. Toch zou hij er niet rouwig om zijn als hij het etiket van grensverleggend tv-maker zou kunnen kwijtraken. “Ik begin een beetje verveeld te raken van dat imago. Ik praatte een keer met geestelijk gehandicapten, met blinden, en ineens werd dat taboe-doorbrekende televisie genoemd. Terwijl ik dat helemaal niet zo voelde. Ik vond bijvoorbeeld het gesprek met de twee meisjes die een eetprobleem hadden in Laat de Leeuw, veel grensverleggender. Dat was een gesprek waarvan ik dacht:dat zet nou echt zoden aan de dijk. Omdat daarin twee werelden bijelkaar kwamen. Zij aten amper omdat ze zich te dik vonden, ik heb het probleem dat ik de frituur niet kan afzetten. Maar daar hoorde ik niets over.”

In de vijftien jaar dat Paul de Leeuw het vak bedrijft, hebben de critici hem wel vaker niet begrepen. Zo zou hij zijn ongebreidelde talenten te gemakkelijk exploiteren, louter uit zijn op shockeren en te licht zijn voor het televisievak in zijn rol als 'omhoog gevallen mavo-leerling' zoals hij zichzelf nog wel eens typeerde.

Hij jaagde zijn criticasters nog verder de stuipen op het lijf, met uitspraken dat het uitslurpen van oesters hem aan het vrouwelijk geslachtsorgaan deden denken: 'snap je nu waarom ik homo geworden ben?' of met opmerkingen in de categorie: 'de mensen in Ethiopië zouden jaloers zijn op mijn 118 kilo'.

Toch zouden diezelfde critici hem in 1993 een Nipkow-schijf doen toekomen.

Omdat ze óók vonden dat nooit eerder in de televisiegeschiedenis zoveel heilige huisjes omver geworpen waren. Omdat geestelijk-, visueel- en lichamelijk gehandicapten bij hem een kans hadden gekregen, en omdat hij stiekum toch de meest oorspronkelijke televisiemaker was ooit, hoeveel botte vuiligheid er soms ook zijn gouden keeltje uitkwam.

Want hij wist ook te ontroeren. Bijvoorbeeld als zijn alter ego Annie de Rooy, achtergelaten door haar ranzig vette egoïstische zak van een echtgenoot Bob, in een treurige stacaravan tijdens de eenzame kerstdagen. “Het blijft toch je man”, sprak De Leeuw toen als een vernederde vrouw die een dappere duik in de beerput van het leven niet schuwt. Daarmee plaatste hij zijn gemakkelijke grappen in een context.

Een week voor aanvang van een nieuwe serie van 74 afleveringen van de late night-formule Laat de Leeuw, lijkt de opschudding rondom zijn persoon alweer eeuwen geleden. Sinds Bob en Annie de Rooy, de comedy-serie Seth en Fiona en het lied Vlieg met me mee naar de Regenboog, is er weinig spraakmakends meer aan zijn brein ontsproten. De Leeuw oogt rustiger dan ooit op tv.

Dat is zo, zegt hij. “Ik heb het een periode heel leuk gevonden om een beetje te schoppen en recalcitrant te zijn. Maar die behoefte is er niet meer. Ik hoef niet meer per se heel veel oh's en ah's op te roepen. Dat is een beetje weg. Ik maak gewoon een leuk uur, live, laat op de avond. Ik wil niet meer zo nodig een prime time spektakel waar iedereen van overeind schiet. Dat zal misschien wel weer komen, of niet.”

Maar de critici die denken hun pennen te kunnen gaan slijpen om het verval van het creatieve talent De Leeuw te beschrijven, wil hij vast teleurstellen. “Ik word heus niet meteen saai en ingekakt. Maar ik denk dat de boog gewoon niet altijd gespannen kan staan. Ik zit echt niet over drie jaar Koffietijd te presenteren ofzo. Ik ga door met het maken van spraakmakende tv, maar niet meer als doel op zich.”

Toch liet hij zich in de eerste serie Laat de Leeuw zien als een aimabele talkshow-host, die het opperbest met studiogasten als Patricia Paay, Simone Kleinsma, Willeke Alberti, Hans Wiegel en Ramses Shaffy kon vinden.

De speldenprikjes die hij in die gesprekken uitdeelde waren er nog wel, maar leidden zelden nog tot het spektakel dat dat soms in de Schreeuw van de Leeuw opleverde. Gefluisterd werd dat De Leeuw van de irritante tijger die hij was, een spinnende kater geworden is.

Hij bestrijdt dat. “Ik denk dat het gewoon niet eerlijk is alles wat ik nu doe, te vergelijken met wat ik in De Schreeuw deed. Natuurlijk is het niet meer zo spectaculair als toen, maar het is nog steeds opmerkelijke televisie.

Ik denk dat het toch weer het leukste programma van het seizoen wordt. Het zal niet meer licht hysterisch zijn, zoals De Schreeuw vaak was. Maar dat past ook niet bij een late night programma. Dat moet per definitie rustiger zijn dan op prime time. Anders gaan de mensen liever naar bed.''

In het nieuwe seizoen wil hij daarom meer diepgang in zijn show. Hij hoopt op inhoudelijker gesprekken en belooft beter te zullen luisteren naar zijn gasten.Want daar ontbrak het nog wel eens aan, zo geeft hij toe. De presentator lijkt vaak wat afgeleid.

“Soms kan ik daar echt niks aan doen. Als ik er geen belangstelling voor kan maken, gaat het echt boven mijn pet. Als ik over advocaat Spong verneem dat hij harp speelt, vind ik dat meteen veel interessanter dan die hele strafzaak van de Hakkelaar. Dat zou een tekortkoming kunnen zijn, als ik elke keer in die valkuil zou stappen. Maar het verhaal van Conny Palmen over Ischa, was toch een heel mooi gesprek. En in de discussie tussen ex-bevelhebber van de Landmacht Couzy en oud-minister van Defensie Stemerdink was ik heel scherp. Daar kon je goed merken dat ik me had ingelezen. Maar inderdaad, ik blijf het het leukste vinden als de meligheid toeslaat. Of het nou goed is of slecht.”

Hij ziet een taak voor zich weggelegd op televsie. “Ik denk dat ik het vak nog steeds nieuwe impulsen kan geven. Met theater is dat niet meer mogelijk.

Daar is alles al gedaan. Er zijn zo tien namen die het daar beter kunnen dan ik. Bij de televisie daarentegen, denk ik dat ik bij de tien vernieuwers hoor.

Als ik mezelf zo'n gala van de Jostiband zie presenteren, dan denk ik, ja, dat kan ik gewoon. Nog steeds.

“Daarom ben ik ook niet bang dat het op een gegeven moment ophoudt. Ik hoop wel dat ik de juiste dingen blijf maken. Maar ik heb niet het schrikbeeld dat mijn creativiteit ophoudt, of dat ik denk, ik kan niet meer verder. En dat is wel eens anders geweest.”