Dans om de diploma's; Financieringsplan maakt universiteiten blij èn verdrietig

'Ik heb het gevoel dat de minister beter naar ons luistert.' 'Er zitten nog heel wat haken en ogen aan.' De meningen over minister Ritzens plan voor een nieuwe financiering van de Nederlandse universiteiten zijn verdeeld.

MET GEMENGDE GEVOELENS hebben de Nederlandse universiteiten vorige week kennis genomen van de plannen van minister Ritzen om hen op een andere manier te bekostigen. Tot hun genoegen heeft de minister hun voorstel overgenomen om het universitair onderwijs te financieren op basis van uitgereikte diploma's. Maar Ritzens plan om in de toekomst een vijfde van hun onderzoeksbudget te laten verdelen door de onderzoeksorganisatie NWO verraste de universiteiten onaangenaam.

Prof.drs. M.H. Meijerink, voorzitter van de vereniging van Universiteiten VSNU is vooral teleurgesteld dat de universiteiten bij de verdeling van de extra miljarden door het kabinet zijn overgeslagen. “Iedereen heeft het over Nederland-kennisland, maar wij komen niet aan bod.” Toch hield de oud-topambtenaar van het ministerie van OCW aan de lezing van het laatste HOOP (Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan) ook een positief gevoel over. “De minister trekt in veel opzichten meer samen met ons op. Ik heb het gevoel dat hij beter naar ons luistert.”

Zeker in de financiering van het universitaire onderwijs heeft Ritzen goed naar de universiteiten geluisterd. Onder Ritzen, minister sinds 1989, is de financiering al een keer eerder ingrijpend gewijzigd. In 1993 deed het HOBEK-systeem zijn intrede, dat aanzienlijk eenvoudiger van opzet was dan het daaraan voorafgaande 'Plaats-Geld-Model'. Maar de HOBEK-systematiek: bekostiging op basis van studentenaantallen per jaar, was nog niet helemaal naar de zin van Ritzen. Want iedere extra student betekende extra geld voor de universiteiten en dat nodigde hen te veel uit om in onderlinge concurrentie op jacht te gaan naar studenten, wat de kwaliteit van het onderwijs in gevaar kon brengen.

In het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan, dat in 1995 verscheen, kwam Ritzen dan ook met een voorstel om de bekostiging van het universitaire onderwijs op andere leest te schoeien. Hij wilde daarmee ook tegemoet komen aan de wens van de universiteiten tot wat meer financiële zekerheid. De bekostiging op basis van studentenaantallen leidde er toe dat hun onderwijsbudget voor slechts 22 procent uit een vast deel bestond, de rest was afhankelijk van de studentenaantallen. Ritzen stelde de zogenoemde capaciteitsfinanciering voor: universiteiten zouden voor langere tijd een vast budget krijgen, zodat ze in relatieve rust konden werken aan beter onderwijs en onderzoek. In afwachting van het nieuwe systeem besloot Ritzen met ingang van 1997 al een meer stabiele bekostiging in te voeren.

Overleg met de universiteiten bracht de minister echter tot de conclusie dat zijn aanvankelijke plan de instellingen onvoldoende zou prikkelen om te werken aan kwaliteitsverbetering. Hij wilde in het bekostigingssysteem op een of andere manier een beloning inpassen voor universiteiten die werk maken van goed onderwijs. In haar nota 'Universiteiten in de Samenleving' deed de VSNU, de vereniging van universiteiten, afgelopen juli een nieuw voorstel: introduceer een bekostigingsfactor die is gebaseerd op de aantallen eerstejaars, propedeuse-examens en doctoraalexamens. En aldus heeft Ritzen, en met hem het paarse kabinet, besloten. Het onderwijsbudget van de universiteiten zal volgens zijn plan voor ten minste de helft worden bepaald door het aantal behaalde diploma's. Een kwart van de bekostiging zal bestaan uit een vast deel om de universiteiten voldoende zekerheid te bieden, de rest is gebaseerd op aantallen eerstejaars-studenten.

De bedoeling van het nieuwe model is dat studenten tijdens hun studie zo vroeg mogelijk op de juiste plaats terecht komen. In de propedeuse-fase tellen alle studenten mee, zodat universiteiten de gelegenheid voor selectie en verwijzing krijgen. Daarna wordt het menens: als de student verkeerd kiest en uiteindelijk geen diploma haalt, krijgt de universiteit geen cent. Ritzen hoopt dat de universiteiten door middel van goed en efficiënt onderwijs ervoor zullen zorgen dat studenten na de propedeuse zo snel mogelijk hun bul halen. Nu haakt nog een derde van de studenten voortijdig af. Het gevaar dat geldbeluste universiteiten hun studenten versneld door een gedevalueerde opleiding naar het diploma zullen jagen, moet worden afgewend door intensievere onderwijs-evaluaties en grotere strengheid in het sluiten van opleidingen bij gebleken gebrek aan kwaliteit.

Voorzitter Meijerink van de VSNU is blij dat in het nieuwe model de bekostiging niet langer gekoppeld is aan de cursusduur. Nu wordt een student bekostigd voor een inschrijvingsduur van maximaal vier jaar, opdat instellingen niet beloond worden voor 'langstudeerders'. In het nieuwe model is dat strakke keurslijf verlaten. “We komen los van dat krampachtige gedoe rond de vraag: hoe lang financier je een student?” constateert Meijerink. Als in het nieuwe stelsel van studiefinanciering ook nog eens de band tussen studiefinanciering en cursusduur wordt verbroken zijn de universiteiten helemaal tevreden.

Meijerink verbaast zich wel over de verwachting van minister Ritzen dat het nieuwe model in 1999 kan worden ingevoerd. Hij wijst erop dat het model nog volledig uitgewerkt moet worden. “Daar willen we graag aan meewerken, maar er zitten nogal wat haken en ogen aan. Het lijkt mij een illusie dat je in 1999 klaar bent.” De VSNU-voorzitter denkt dat de nieuwe bekostiging pas na de eeuwwisseling van kracht wordt.

De tevredenheid van de universiteiten over de voorgestelde bekostiging van het onderwijs staat in schril contrast met hun verontwaardiging over Ritzens voorstel om een vijfde van hun onderzoeksbudget in de toekomst te laten verdelen door de onderzoeksorganisatie NWO. Die geleidelijke overheveling van een deel van de eerste geldstroom (de rechtstreekse bekostiging door de overheid) naar de tweede geldstroom (de verdeling via NWO) rechtvaardigt Ritzen met de stelling dat bij de besteding van onderzoeksgeld meer gelet moet worden op kwaliteit en maatschappelijke relevantie van onderzoek. Hij is er niet gerust op dat de universiteiten dat zelf voldoende kunnen doen.

Voorstander

Helemaal verrast zijn de universiteiten niet door de inhoud van het plan, want Ritzen toonde zich in juni vorig jaar al voorstander van de gedachte om het budget van NWO (nu een kleine 500 miljoen per jaar) te verhogen.

Dat voorstel was afkomstig van een commissie onder leiding van oud-VNO/NCW-voorzitter Rinnooy Kan, die NWO had doorgelicht. De universiteiten zetten de hakken reeds in het zand, maar vorig jaar op Prinsjesdag leek de dreiging afgewend. In het Wetenschapsbudget, een tweejaarlijkse nota van de overheid over onderzoeksbeleid, kreeg NWO een belangrijke rol toegedicht bij de stimulering van excellent en maatschappelijk relevant onderzoek, maar het idee om onderzoeksgeld over te hevelen van de universiteiten naar NWO was er niet in opgenomen.

De universiteiten waren vorige week dus pijnlijk verrast toen Ritzen zijn plan voor overheveling van het onderzoeksbudget toch uit de kast haalde. En dat terwijl ze nog in gesprek waren met NWO en de KNAW over een manier waarop universiteiten meer verantwoording kunnen afleggen voor de besteding van de 2,3 miljard gulden die ze van de overheid krijgen voor onderzoek. Uitgangspunt daarbij was dat een universiteit zèlf beslissingen neemt, en daarover openbaar verantwoording aflegt aan een 'intermediaire instantie', een NWO-nieuwe stijl. Meijerink: “Wij zaten nog midden in dat proces, en dan komt de minister hier mee. Wij willen niet zeuren, maar dit is zó in strijd met wat we hadden afgesproken, dat we er eigenlijk niet goed raad mee weten.”

Niet alleen zijn de universiteiten gepikeerd over het feit dat Ritzen in de onderzoeksfinanciering door alles heen fietst, ook vinden ze dat hij eerst de reorganisatie van NWO ter hand moet nemen voordat er überhaupt gepraat kan worden over overheveling van onderzoeksgelden. Het huidige NWO kan zijn onafhankelijke rol niet vervullen, omdat het zelf óók wetenschappelijke instituten beheert.

En verder is NWO volgens voorzitter drs. J.K.M. Gevers van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam niet in staat een veel betere kwaliteitsbeoordeling van onderzoek te geven. Want de wijze waarop NWO nu het onderzoeksgeld verdeelt, heeft volgens hem veel weg van het vroegere Joegoslavische arbeiderszelfbestuur. “Wetenschappers maken het onderling zelf uit, er is geen internationale kwaliteitsbeoordeling. NWO is geen national science foundation, zoals je die in andere landen hebt”, aldus Gevers.

Ritzen onderkent dat NWO er eerst anders uit moet zien. Hij kondigt in het vorige week gepubliceerde HOOP-1998 aan dat hij de wettelijk vastgelegde taken van NWO wil wijzigen, maar volgens de universiteiten hanteert hij de verkeerde volgorde. “Een groot misverstand”, zo typeert Gevers Ritzens aanpak.

VSNU-voorzitter Meijerink wijst er verder op dat Ritzen de universiteiten met een uiterst ondankbare taak opzadelt: als NWO voortaan voor 500 miljoen extra prioriteiten vaststelt, dan moeten de universiteiten voor eenzelfde bedrag de 'posterioriteiten' vaststellen. Met andere woorden, de universiteiten moeten bepalen welk onderzoek ze gaan schrappen. “Die kunnen dus de kastanjes uit het vuur halen”, concludeert Meijerink.