D66-lijsttrekker Els Borst: 'Je moet niet, hup, een recept willen uitschrijven'

Zij is 65 en al jaren grootmoeder, maar ze zit pas vier jaar in de politiek en wordt nu alsnog lijsttrekker van D66, dat vandaag zijn verkiezingsprogramma Regel is te breed voor uitvullen/afbreken presenteert. Els Borst, tot nu toe vooral bekend als minister van Volksgezondheid, in gesprek over haar politieke idealen ('een land waar het voor iedereen goed is om te leven') haar fantasieën ('stukken van het ministerie verbranden in de tuin') en haar tijd als voorzitter van de ontgroeningscommissie Regel is te breed voor uitvullen/afbreken ('dat is angstig hoor').

Over koningin Beatrix wordt wel gezegd dat wanneer Nederland een republiek zou worden, de Nederlanders haar als president zouden kiezen. Van Els Borst wordt gezegd dat ze op Beatrix lijkt. Gaan de Nederlanders straks ook haar kiezen? Hans van Mierlo, geestelijk leider van D66, gokt van wel.

Toen hij Borst afgelopen voorjaar aanwees als zijn opvolger, kondigde hij aan dat juist zij in verkiezingsdebatten met de 'mastodonten' Kok en Bolkestein overeind zou blijven. “Els hoeft alleen maar haar wenkbrauwen op te trekken en dan is iedereen stil.”

In politiek Den Haag wordt met spanning afgewacht of de haar toegedichte kwaliteiten onverstoorbaarheid, betrouwbaarheid en vakkundigheid voor een lijsttrekker genoeg zijn. De uitlatingen die mevrouw Borst (het is Winnie Sorgdrager, Erica Terpstra, maar het blijft mevrouw Borst) tot nu toe als lijsttrekker heeft gedaan, getuigden niet van politieke handigheid.

Zo kondigde ze aanvankelijk aan dat zij na de verkiezingen minister zou blijven en dat de fractievoorzitter dan partijleider zou moeten worden. Om daarna te erkennen dat wanneer haar partij niet in een volgend kabinet zou komen, de lijsttrekker uiteraard zelf in de Tweede Kamer zal zitten. Ze stelde het direct kiezen van burgemeesters, een oud D66-strijdpunt, als voorwaarde voor kabinetsdeelname, om vervolgens te moeten nuanceren dat het geen voorwaarde was maar een 'zwaar punt'.

De campagnestrategen bij D66 hopen dat haar gebrek aan brede politieke ervaring juist een voordeel zal blijken. De kiezers houden niet van politieke spelletjes en als de onvermijdelijke vermoeidheid toeslaat bij alle aandacht voor de kemphanen Kok en Bolkestein, is daar als redelijk alternatief mevrouw Borst.

U bent nog nooit kandidaat geweest voor een gekozen politieke functie. Ziet u ernaar uit, avond aan avond een verkiezingsverhaal te vertellen?

“Nou, als ik vaak in van die kleine zalen kom, die blauw staan van de rook en ruiken naar bloemkool, zal ik vast blij zijn als ik er weer van af ben. Aan de andere kant, ik vind het leuk om de mensen te laten komen met hun vragen en kritiek. Dan vliegt de avond voorbij.”

Vier jaar geleden bent u overgehaald om minister te worden en moest u nog wennen aan de politiek. Sindsdien zegt u dat u politiek steeds leuker begint te vinden. Wat is er zo leuk? “Het leukste van politiek is dat je echt iets voor mensen kunt doen. Je zit toch aan het stuur van Nederland en dat gevoel is heel bevredigend.”

En wat is er niet leuk?

(Als een staatsman:) “Ik vind dat men wel heel erg bezig is met een spel onder elkaar. Waar is de relatie met de buitenwereld? Die is er vaak wel, maar ook heel vaak niet.

Ik hoor van Kamerleden die het leuk vinden als ze iemand een vliegje hebben afgevangen. Heel kleine succesjes, waarvan niemand op straat weet waarover het gaat en waarvan hij zich hooguit afvraagt: heb je niets beters te doen? Maar als je de spelregels een beetje kent en je ziet dat iedereen ondanks die spelletjes toch heel serieus bezig is, dan denk je: dat hoort er nu eenmaal allemaal bij.

“Ik heb wel eens van die fantasieën. Als ik nou op zaterdag al die stukken uit die loodgieterstas niet lees, maar ze gewoon op een stapel achter in de tuin leg... Lucifer erbij... Dat wordt een prachtig vuur. Ik nodig de buren uit, die vinden dat vast ook leuk. En dan kom ik maandag op het departement en zeg ik: jammer, niks gedaan, de boel is in de fik gevlogen.

Heerlijk. Maar ik heb al mijn hele leven van dat soort fantasieën en ik doe het al mijn hele leven niet.''

Wat zijn uw politieke idealen?

“Ik heb me altijd heel betrokken gevoeld bij de manier waarop mijn partij het begrip democratische samenleving opvat: de burgers bij het bestuur betrekken.

Maar mijn hoofd-ideaal ligt bij de inrichting van de samenleving, de maatschappelijke infrastructuur.

Wanneer is een land succesvol?

Als je The Economist elke week leest, worden landen beoordeeld op economische groei. Is die goed, dan krijgen ze van The Economist een tien, anders een onvoldoende. Maar mijn definitie van een succesvol land is een land waar het voor iedereen goed is om te leven.''

Klinkt mooi. Maar er overlijdt een student tijdens een ontgroening en minister Ritzen roept om een gedragscode. Er is een kritisch rapport over een kinderdagverblijf en Den Haag wil een keurmerk. Laat de politiek niet vooral Pavlov-reacties zien?

“Je bent als minister geneigd om als er iets dramatisch' gebeurt, meteen een oplossing te bedenken. Dat is gevaarlijk. Je moet als arts ook uitkijken dat je niet bij ieder symptoom, hup, een recept uitschrijft. Ik denk dat zo'n probleem, met die student, maar ook met al die mensen die elkaar om niks in elkaar slaan, vereist dat je eerst nadenkt of je iets structureels kunt doen. In onze samenleving, waar wij niet meer worden geleid door één nationaal geloof, heeft langzamerhand ieder zijn eigen levensbeschouwing. Toch hebben al die levensbeschouwingen gemeenschappelijke waarden: dat je vreedzaam moet zijn, dat je elkaar moet helpen en steunen. Dat is iets dat we onze kinderen bewuster moeten bijbrengen.

“We zouden een opvoeding tot goed burgerschap moeten geven.

Vroeger werden normen en waarden toch ook gewoon geleerd? De catechismus is natuurlijk het mooiste voorbeeld. Vraag 1: waartoe zijn wij op aarde? Moest je het antwoord weten. Dan vraag 2. Enzovoort. Nou hoeven we het zo natuurlijk niet te doen. Maar het moet iedereen duidelijk zijn dat we hier in een democratie leven waar bepaalde regels voor bepaald gedrag bestaan.''

U lijkt De Hoop Scheffer wel. Die pleitte vorige week ook al voor een warmere en zorgzamere samenleving.

“Ja, iedereen wil wel een warmere en zorgzame samenleving. Maar de vraag is natuurlijk: wat zijn daarvoor de instrumenten? Ik had het over het actiever overdragen van waarden aan kinderen. Wie moeten dat doen? Ouders en leerkrachten. We hebben heel wat halfoverwerkte leraren. Het zou goed zijn - en dat staat ook in ons verkiezingsprogramma - om veel meer aandacht te hebben voor de lerarenopleiding, voor de bijscholing, voor het voorkomen dat leraren opgebrand raken.

Goed onderwijs krijg je door goede leraren. En ouders, die moeten meer tijd krijgen voor hun kinderen. Dus wij zijn ook erg voor zorgverlof, ouderschapsverlof en dat soort zaken.''

D66 heet de partij van de staatkundige vernieuwing te zijn, voorvechter van het referendum bijvoorbeeld. Het lijkt nu of u er een ander accent op wilt leggen.

“Onder Van Mierlo ligt het accent natuurlijk sterk op het democratische. En dat blijft ook zo.

Maar ieder z'n hart ligt bij iets. En in het totaal van D66-idealen pak ik dus dit eruit.''

En hoe verhoudt zich dat nou met het snelle geroep om keurmerken en gedragscodes?

“Ik ben het wel met Ritzen eens dat zo'n gedragscode voor de studentenontgroening op zich helemaal geen slecht idee is, al zou het nog beter zijn als de studenten er zelf mee kwamen. Het is een recept, dat dan wel in een heel behandelplan moet zitten. Die gewelddadigheden op straat zijn tekenen dat het met onze samenleving niet de goede kant op gaat.”

Zou u zich in uw studententijd iets van een gedragscode hebben aangetrokken?

“Dat denk ik wel. Ik was voorzitter van de ontgroeningscommissie van de AVSV in 1954 en ik zie nog die tweehonderd meisjes voor me op de grond zitten. Ik herinner me dat ik het af en toe Spaans benauwd kreeg van de verantwoordelijkheid. Niet dat wij nou van die dingen deden met jenever, maar we hadden wel een mooi ritueel aan het eind van de groentijd.

“Tegen die tijd zijn die meisjes heel emotioneel aan zo'n commissie gebonden, dat is bijna griezelig. Ze kennen je drie weken en als je zou zeggen spring in de sloot, zouden ze het nog doen ook. Dat is angstig hoor. Het zou misschien niet gek zijn geweest als de overheid ons vantevoren had verteld dat dat zo gaat.

“Hoe dan ook: aan het einde van de groentijd roeiden wij met de ontgroeningscommissie in een bootje op de Amstel en deden alsof we omsloegen. Tweehonderd kinderen sprongen allemaal in de Amstel, en er waren erbij die niet konden zwemmen. Daar hielden we wel rekening mee, dus we hadden wat ouderejaars aan de kant die de groenen in de gaten moesten houden. Maar we hebben er inderdaad twee uitgehaald. En dat is natuurlijk achteraf gezien niet verantwoord geweest.”

U bent, sinds Van Mierlo u als lijsttrekker heeft aangewezen, herhaaldelijk in het nieuws geweest.

Eerst zou u niet in de Kamer zitting nemen, toen weer wel. U noemde de gekozen burgemeester als voorwaarde voor kabinetsdeelname, waarna Van Mierlo u moest corrigeren. Is dat onhandigheid van een nieuwkomer of eerlijkheid van iemand die hardop denkt?

“Dat laatste heeft er, zeker in het begin, sterk in gezeten. Toen had ik echt nog het idee dat ik gewoon weer minister zou worden. Ik heb me wat laat gerealiseerd dat het formeel zo gaat dat je op een kieslijst staat, gekozen wordt en dan in de Tweede Kamer komt. Vandaar gaat het proces verder en wie weet blijf je dan ook in de Kamer.

Mij ook best. Dus in tweede instantie heb ik dat ook erkend. Ik heb wat te makkelijk gedacht: het zal wel weer op een ministerschap uitdraaien.''

En de correctie door Van Mierlo?

(lachend:) “Van Mierlo en ik vinden nooit iets vervelend van elkaar. Wij hebben er samen om gelachen. En overigens had hij volkomen gelijk dat het nu nog niet aan de orde is.”

Er is één kwestie in uw verleden die straks tijdens een verhitte campagne zou kunnen opspelen: uw conflict uit 1981 met professor Smalhout over het verlamd raken van een patiënt op de operatietafel in het Academisch Ziekenhuis Utrecht, waar u destijds medisch directeur was. Smalhout stelde het zijns inziens medisch falen van de betreffende hartchirurgen bij u aan de orde, maar u reageerde volgens hem afhoudend. De suggestie is blijven hangen dat u de zaak in de doofpot wilde stoppen. Uiteindelijk werd Smalhout berispt door het Medisch Tuchtcollege omdat hij de zaak naar buiten had gebracht. Jaren later heeft het ziekenhuis de verlamde patiënt toch smartengeld betaald en - na uw vertrek - Smalhout gerehabiliteerd. Is het conflict al bijgelegd?

“Ik zie professor Smalhout af en toe nog wel. Hij woont in Bosch en Duin en ik in Bilthoven. Dan komen we elkaar op zaterdag tegen in de winkel. We hebben onlangs in bijzijn van minister Dijkstal een gesprek gehad over zijn vurige wens dat het medisch tuchtcollege die berisping terugdraait. Het is voor hem nog steeds een hele zware last, en dat kan ik ook goed met hem meevoelen, want hij zegt: meestal worden artsen berispt wegens fouten bij patiënten. Maar wat hij juist deed was de fouten van collega's aan de orde stellen.

“Ik heb daar vaak met hem over gesproken toen ik directeur was. Fouten van anderen aan de lopende band naar buiten brengen - ik vond dat hij zich daarbij toch gedroeg op een manier die ik niet kon goedkeuren. Maar verder kan ik hier op dit moment niks over zeggen.”

U bedoelt: Smalhout deed het vaker dan alleen in deze kwestie?

“Nou ja, kijk, hij is begonnen met zijn beroemde rede 'De dood op tafel'. Dat was zijn oratie, waarin hij aangaf dat er mensen sterven aan medische fouten. En dat dat in de doofpot kwam. Dat was in die tijd ook zo. En je moet je er inderdaad niet voor generen dat er fouten worden gemaakt - dat is nu eenmaal zo, daar heeft hij gelijk in. Alleen, we hadden met meneer Schippers (de patiënt, red.) ook niet iets onder de tafel gepoetst. Maar goed, het is een ingewikkeld verhaal. En er zat een groot conflict achter tussen Smalhout en de hartchirurgen. Dat liep al jaren, en is op een gegeven moment geëxplodeerd met alle gevolgen vandien. Meer wil ik er eigenlijk niet over zeggen.”

Maar die affaire achtervolgt ook u?

“Van die meneer Schippers heb ik toen wel een slapeloze nacht gehad. We hebben er later nog een commissie naar laten kijken, of het echt waar was dat men hem nog had kunnen redden en er dus een verwijtbare fout was gemaakt. Hij was geopereerd aan zijn grote lichaamsslagader, een aantal uren daarna kreeg hij pijn in zijn onderbuik en toen hebben ze een relatie gelegd met die operatie, wat erg voor de hand lag.

Maar het zat toch ietsje anders: hij had een bloeding onder in zijn ruggenmerg. En die heeft geleid tot een verlamming. Die diagnose is echter pas gesteld op een moment dat die verlamming niet meer was terug te draaien.

“Je ligt dan vaak een film af te draaien: als ze nou dit of dat gedaan hadden... Maar de commissie vond dat het niet verwijtbaar is, dat die diagnose niet op tijd gesteld is. Professor Smalhout vindt van wel.”

Wordt hij binnenkort nog gerehabiliteerd?

“Ik wil over dat rehabiliteren nu niks zeggen. Hij heeft mij iets gevraagd en dat is nu even geen onderwerp van openbare bespreking. Het zit hem gewoon erg hoog. Het bestuur van het ziekenhuis heeft hem aangeklaagd en ik was toen medisch directeur. Wij stonden tegenover elkaar bij het medisch tuchtcollege. Nou, ik kan me iets leukers voorstellen.

We hadden jaren, toen ik nog hoofd van de bloedtransfusiedienst was, en hij van de anesthesie, als collega's heel leuk samengewerkt. En opeens stonden we daar ieder aan een kant met een advocaat. Maar goed, het ergste was het voor meneer Schippers.

En nu hou ik er echt over op.''

Goed, terug naar vandaag. Wat is voor u het hoofdpunt in het vandaag gepresenteerde verkiezingsprogramma?

“Ik ken al die items nog niet uit mijn hoofd. Maar een van de kernpunten in het programma vind ik toch het evenwicht tussen milieu en economie. Dat de overheid uiteindelijk de economie - daar staat een heel mooie zin over in - ten dienste moet stellen van het welzijn van mensen, dat dat centraal moet staan.

“Maar we hebben ook twee pagina's over sport. Daar staan hele leuke, verrassende dingen in. Een sportstrippenkaart voor de jeugd.

Wij willen ook de gymnastiekleraar terug op school. En schoolzwemmen. Ik heb vroeger ook drie keer zo'n periode gehad dat je je kind zélf naar zwemles moest brengen, als werkende moeder.

Dat je 's morgens vroeg, als het veel te koud is, zo'n verkleumd blauw kindje weer warm moet wrijven. Tsja, ik ben minister van Sport.''

Wat vindt u ervan dat u de moeder van de partij wordt genoemd?

“Dat vind ik nou toch weer een beetje... (kijkt vies). Ik heb nog nooit gehoord dat Bolkestein de vader van de VVD wordt genoemd.

Dus waarom word je dan meteen weer de moeder genoemd? Wij vrouwen worden toch heel vaak in een rol geduwd: moeder, dochter, echtgenote, minnares. Het zijn bijna biologische kwalificaties, die nooit aan mannelijke functies worden gehecht. Nou ja, laat ik het maar zo zeggen: ik voer de partij aan, naar de verkiezingen, en dan is het mooi als ze zeggen: jongens, we gaan allemaal achter moeder aan...''