Coelacanth is toch niet de voorvader van alle viervoeters

Toen de planten zo'n 480 miljoen jaar geleden het land veroverden, werd ook de voorwaarde geschapen voor dierlijk leven op de continenten. Lang is gedacht dat dat gebeurde door vissen waarvan sommige vinnen geleidelijk veranderden in ledematen; van deze zogeheten kwastvinnigen (Crossopterygii) leeft nog steeds een soort, Latimeria chalumnae, de coelacanth, die niet voor niets een van de beroemdste 'levende fossielen' vormt.

Zoals momenteel bij zoveel evolutionaire ontwikkelingen gebeurt, moet op basis van het DNA-onderzoek aan mitochondriën (mtDNA) hierbij nu een vraagteken worden gezet. Dat berichten twee onderzoekers in het septembernummer van Naturwissenschaften.

Zij onderzochten het mtDNA van de coelacanth en van bepaalde longvissen en stelden vast dat het mtDNA van de laatste een veel grotere gelijkenis vertoonden met dat van - volgens de huidige ideeën over de evolutie - de naaste verwanten op land: amfibieën (in dit geval: kikkers).

Deze bevinding sluit goed aan bij een in 1993 verschenen, maar toen als onwaarschijnlijk beoordeelde DNA-studie van een onderzoeker aan de Pennsylvania State University. Nu het DNA-onderzoek, en in het bijzonder ook het mtDNA-onderzoek, zoveel nieuwe gegevens heeft opgeleverd die goed met elkaar overeenstemmen, maakt de nieuwe hypothese - viervoeters (tetrapoden) die afstammen van longvissen - een aanzienlijk grotere kans op acceptatie.

Dat geldt te meer omdat er in de laatste jaren ook anatomische redenen zijn aangevoerd waarom de tetrapoden dichter bij de longvissen staan dan bij de kwastvinnigen; dat betreft onder meer de neus (en in het bijzonder de neusopening), een belangrijk hulpmiddel bij het ademhalen op land. Ook de chemische samenstelling van het bloed en het systeem voor de bloedcirculatie lijken eerder te wijzen op een afstamming van de tetrapoden van de longvissen dan van de kwastvinnigen, al kan nog niet met 100 procent zekerheid worden uitgesloten dat beide taxa bij de evolutionair zo belangrijke stap uit zee naar het land betrokken zijn geweest.

Zoals ook eerder het geval was, zullen aanhangers van de hypothese dat kwastvinnigen voorlopers zijn van het dierlijk leven op land hun ideeën waarschijnlijk niet zonder slag of stoot willen opgeven: de coelacanth, die lange tijd als een reeds lang uitgestorven fossiel werd beschouwd en die tot grote verbazing van zowel zoölogen als paleontologen in 1938 door vissers bij toeval werd gevangen bij de Comoren in de Indische Oceaan, appelleert nu eenmaal sterk aan romantische en avontuurlijke gevoelens. Daarmee is in de wetenschap op den duur echter de strijd niet te winnen. De coelacanth is ongetwijfeld van grote wetenschappelijke waarde, maar zijn rol als voorouder van de gewervelde landdieren (en dus ook als verre voorouder van de mens) lijkt hij te moeten overdragen aan de longvissen.