Bloeddonatie beschermt mannen tegen hartziekte

Bloed geven halveert het risico op hart- en vaatziekten bij niet-rokende mannen. Dat blijkt uit een Amerikaans onderzoek naar de kans op hart- en vaatziekten bij bloeddonors. Deze studie zou ook kunnen verklaren waarom vrouwen, zolang ze menstrueren, minder risico op hart- en vaataandoeningen lopen dan even oude mannen (Heart 1997;78;188-93).

Het feit dat hart- en vaatziekten bij vrouwen veel minder voorkomen is nooit afdoende verklaard. Er is wel geopperd dat het vrouwelijke geslachtshormoon oestrogeen beschermend werkt, bijvoorbeeld door een effect op de vetstofwisseling. Uit epidemiologische studies is bekend dat de 'voorsprong' van vrouwen op dit terrein snel verdwijnt bij het intreden van de menopauze of na het verwijderen van de baarmoeder of eierstokken. Dat zijn allemaal factoren die maken dat het oestrogeengehalte gevoelig daalt.

De Amerikaanse onderzoekers komen nu echter met een andere verklaring: ijzerverlies via menstruaties speelt mogelijk een rol. Vrouwen hebben, zolang ze menstrueren, de helft minder ijzer in hun bloed dan mannen. Niet-gebonden ijzer speelt een belangrijke rol bij het genereren van vrije zuurstofradicalen in het lichaam, die op hun beurt door de oxidatie van vetten bijdragen aan de ontwikkeling van aderverkalking. Doordat bij een menstruatie de ijzervoorraden in het lichaam worden uitgedund, neemt het vrije ijzer af en daarmee de kans op aderverkalking.

Deze 'ijzerhypothese' hebben de Amerikanen nu getest op 655 mannelijke en vrouwelijke bloeddonors en 3200 niet-donors, allen veertig jaar of ouder en deelnemers aan de veel grotere Nebraska Diet Heart Study. Na een tijdsverloop van vijf tot acht jaar werden de proefpersonen telefonisch ondervraagd over eventuele hart- en vaatklachten. Vierenzestig donoren (9,7%) en 567 niet-donoren (17,7%) zeiden daaronder te lijden, een verschil van bijna vijftig procent. Het bleek niet uit te maken hoe vaak iemand bloed doneerde, àls hij of zij dat maar deed.

Toen men rekening ging houden met factoren als opleidingsniveau, lichamelijke activiteit, hoge bloeddruk en suikerziekte, bleek het gunstig effect van bloed geven iets minder duidelijk, maar het bleef toch altijd nog dertig procent.

Bij vrouwelijke donoren was, zoals verwacht kan worden, geen gunstig effect merkbaar. De groep vrouwen die al in de menopauze was en dus niet meer menstrueerde, was te klein om te kunnen beoordelen of bloed geven bij hen wél hielp. Verder bleek het gunstige effect van het bloeddonorschap door roken geheel te worden weggevaagd. De Amerikaanse onderzoekers concluderen dat mannen er dus duidelijk goed aan doen bloed te geven, al was het maar alleen voor zichzelf.