Abdulwahid van Bommel, zelfbenoemd 'bruggenbouwer' tussen moslims en Nederlanders; 'Ik was een bekeerling. Dat zijn de ergsten'

Wat geloven we, wie vrezen we en waarom beminnen we? Frénk van der Linden spreekt met mensen die door overtuiging of ervaring een bijzonder inzicht hebben in geloof, dood of liefde. Abdulwahid (voorheen Wouter) van Bommel is het progressief-liberale gezicht van de Nederlandse islamgemeenschap. De ex-directeur van de Nederlandse Moslim Omroep over mystieke ervaringen, de 'idiote en kwalijke manoeuvres' van Bolkestein, en maagdelijkheid. 'Mijn profeet was een uitgesproken liefhebber van seks.'

Opeens werd de grond zo dun als een appelschil. Ik lag op mijn rug in het gras en ik dacht: deze aardlaag is zo broos, ik zak er doorheen. Hoe het kwam dat die vrees me beving, weet ik niet. Het was een bewustzijnsverschuiving waarin ik mijzelf geen enkele beweging kon permitteren. Dan zou ik onherroepelijk in de diepte verdwijnen.

Het was tegen middernacht. Ik werkte dagelijks in het Vondelpark een trainingsprogramma af om goed op mijn contrabas te kunnen spelen met Willem Breuker. Eerst wandelen, daarna in een plantsoentje neerzijgen voor ademhalingsoefeningen. Je kunt onmogelijk in harmonie met een instrument omgaan als je geen innerlijke rust hebt, als je niet gecenterd bent.

Terwijl ik het gat onder me voelde zuigen, besefte ik dat er iets groots in mijn leven gebeurde.

Ik kon het alleen niet benoemen.

Het was begin 1967; het zou in alle opzichten mijn magies jaar worden. Voor ik het wist, klopte ik aan bij een imam-internaat in Turkije. Mijn breuk met alles wat ik had - en wie ik was.

Ik ga me eige baan. Dat is mijn wapenspreuk. Als jongetje van veertien zag ik een boek van de anarchist Apie Prins met die titel in een etalage liggen en ik herkende me daar geweldig in. Ik ben een eigenzinnige, ongeduldige man.

Ik streef ernaar me diplomatiek te gedragen, maar feit blijft dat ik van jongsafaan een autoriteitsprobleem heb gehad. Ik duld geen bazen boven me. Niet dat ik genoegen schep in het kwellen van directeuren en voorzitters; ik ben gewoon een idealist die zijn geestelijke vrijheid veiligstelt.

Mijn vader was een doodgoeie man die zich voortdurend onder het tapijt liet vegen. Bij de padvinderij was hij sterk in survival en tijdens de Tweede Wereldoorlog wist hij twee keer te ontsnappen uit de Arbeitseinsatz in Duitsland, maar na '45 durfde hij maatschappelijk niet voor zichzelf op te komen. Ik vond hem een slappeling, een angsthaas. Zo'n figuur die mogelijkheden en niveau had, zijn springplank toch niet gebruikte en daarover tandenknarste. Het was zijn droom om een aannemersbedrijf te beginnen, maar door zijn onzakelijkheid kwam hij nooit verder dan een vrij lullige functie: inspecteur bouw- en woningtoezicht bij de gemeente Amsterdam. Als je naar hem keek, las je als het ware De Avonden.

Ik trok naar mijn moeder - de intellectuele kracht in het gezin.

Een warme, spirituele vrouw die graag discussieerde en boeken aanschafte van Tsjechov, Nooteboom, Steinbeck en Hemingway. Ze typte het blaadje van de toneelvereniging Streven naar Kunst. Waarschijnlijk verlangde ze hartstochtelijk naar ontsnapping uit de benauwdheid. Ze bouwde luchtkastelen, die ze in haar kinderen probeerde te verwezenlijken. Zo oefende ze druk op mij uit om mettertijd naar Amerika te verhuizen: vrijheid, een grote Cadillac, een bungalow...

Ofschoon mijn moeder hervormd was en mijn vader katholiek, hing er thuis geen christelijke sfeer. We lazen Het Vrije Volk, Sekstant. De Van Bommels waren seculier: humanistisch, sociaal-democratisch. De idealen van Drees, dáár diende je je mee bezig te houden. Kennissen namen me mee naar Felix Meritis, het CPN-bastion, om de geneugten van het communisme te proeven. Eén grauwe film uit de Sovjet-Unie gezien; direct genezen. Ik ging liever naar catechisatie. Die stap zette ik puur van binnenuit - niemand anders in mijn omgeving deed dat.

Wat me aantrok was het vermogen tot ontroeren van Jezus.

Hij maakte een waarheidsbesef in me los. Zijn opstandigheid tegen schijnheilige schriftgeleerden gaven hem een heldenaureool: rechtvaardigheid in woorden en daden. Ik heb me nooit aangetrokken gevoeld door een Jezus in stoffige theologische draperieën.

Op het Christelijk Lyceum, dat gebouw met z'n granieten trappen en granieten ideeën, kwam ik in aanraking met dominees die me een dubbelhartig christendom voorschotelden. Ik voel mijn ergernis van toen weer opwellen als ik Eerste-Kamerleden zie zitten.

Een zich eeuwig voortzettende klasse met driedelig pak en het grootste gelijk van de wereld, de roomlaag van de Nederlandse samenleving, een stel regenten die jou graag houden waar je bent: onderop. En ondertussen knijpen zíj in het donker de kat. In mijn jeugd kwam ik bij jongens over de vloer wier vaders jurist of directeur van Unilever waren. Hun moeders veroorloofden zich dagelijks visagistes en dronken 's middags thee met rum. In die villa's klonken verhalen over naastenliefde en barmhartigheid, maar in de praktijk zag je daar geen reet van. Dat ervoer ik als een clash. Het klópte niet. Waar was Jezus? Waar waren de vissers aan wie hij het brood uitdeelde?

Het leek me verstandig die onzin achter me te laten en te onderzoeken wat andere geestelijke stromingen te bieden hadden. Ik ging filosofie studeren en verdiepte me in boeken over Confucius, het zen-boeddhisme, Indiase goeroes. De Chinese leermeester Lao Tse sprak me het meeste aan. Een anoniem, niet-pretentieus mannetje, dat was opgegaan in de brodeloze massa. Lao Tse was een soort Nescio: na een onopvallend leven liet hij wat kleine boekjes na, maar iedereen die zijn gelijkenissen leest is onder de indruk.

Die verpletterende mystieke eenvoud zal helaas onbereikbaar blijven voor iemand als ik: een door aardse beslommeringen in beslag genomen twintigste-eeuwer.

Free jazz is fantastisch. Free jazz spelen is je meest persoonlijke roerselen verklanken en je tegelijkertijd verenigen met anderen. In de jaren zestig had ik aan beide een enorme behoefte. Ik stond alleen. Mijn interesses weken hemelsbreed af van de dingen waar leeftijdsgenoten zich op gooiden. Maar op een gegeven moment rolde ik in het artistiek-intellectuele Leidseplein-milieu: geflipte studenten, politieke radikalinski's, kunstenaars. Je leert schrijvers kennen - Henk Marsman (Bernlef), Gerard Stigter (K. Schippers) - je duikt in de beatnik-literatuur, je debatteert tot het ochtendgloren, en je begint met vrienden muziek te maken. Eerst is het op bongo's slaan, dan verander je een zeepkist in een bas, vervolgens ga je naar de winkel om een professioneel exemplaar te kopen.

Bij dat groepje zat ook Willem Breuker, nog onontdekt als saxofonist. Het ging zo serieus toe dat we een band vormden: de Free Jazz Incorporated. Willem was een laconieke, nuchtere, stugge Hollander. Maar heel gevoelig. Ik zag hem niet zo lang geleden als zomergast op de VPRO-televisie.

Met wat hij denkt en doet heb ik geen feeling meer. Ik vond hem indertijd al een typisch Europese musicus. Voor mij is jazz in de kern soul, zielsmatig muziek maken. Willem legt veel nadruk op techniek. Zijn werk doet me denken aan Kurt Weill: fraai, maar bestudeerd. Het komt niet uit zijn kruis. Als je het hoort, zie je geen man die nachtenlang blue en vereenzaamd over het natte asfalt loopt. Ongetwijfeld zal hij míj nu als een betreurenswaardige zwever zien. Ik denk dat we elkaar een hoop zouden kunnen leren.

Indertijd discussieerden we veel over de zin van het leven, de plaats van je ik in de kosmos. 'Alles heeft met alles te maken, weetjewel' - die sfeer. Door mijn metafysische ervaring in het Vondelpark besefte ik dat ik ongelofelijk onzeker was, dat er een leemte in mij bestond. Die wilde ik vullen. Met een volmaakt licht. In die periode werd ik door een kameraad uitgenodigd voor een feest van een paar dagen: hij ging in Wyldemerk, Gaasterland, trouwen met een Moluks meisje. De meeste van de voormalige KNIL-militairen die naar Nederland waren gekomen, hingen het christendom aan. Maar zij behoorde tot een moslim-minderheid, die na wrijvingen een eigen barakkenkamp had gekregen. Midden in de Friese bossen trof ik een Indonesische kampong aan. Daar hing een sociale, gemoedelijke sfeer. Als ik toevallig in aanraking was gekomen met een groep Saoedi's - mensen die een dogmatische levensstijl huldigen - zou ik nooit voor de bijl zijn gegaan.

Ik mocht drie maanden komen logeren. Wat me aantrok was de verwevenheid van daily life en religie. Relaxed knielden die mensen vijfmaal daags, tussen de bedrijven door, op een kleedje om te bidden. Eigenlijk was het wéér de eenvoud die me fascineerde.

Neem de houten moskee daar: anders dan in kerken en tempels herbergde die geen beelden, geen goud, geen glitter. Een en al bescheidenheid. Je maakt in zo'n omgeving geen indruk met ouwehoerverhalen over Nietzsche, Chopin, Sartre of Billy Holliday.

Je wordt op jezelf teruggeworpen: wie ben jij, wat is jouw kern? Zo evolueerde ik naar wat ik in eerste instantie bekeek als een krankzinnige stap: overgaan tot de islam.

Je ouders hebben nimmer de moed gehad over grenzen heen te gaan, zei ik uiteindelijk tegen mezelf. Je ouders voegen zich als schroefjes in de gaatjes die de samenleving hun heeft toebedacht. Ben jij van plan je net zo te laten koeioneren? Blijf jij óók in een mentale gevangenis zitten? Alles wat ik de jaren daarvoor overhoop had gehaald, viel op z'n plaats. Ik voelde me getrechterd: deze kant op, dit is het, doe het maar, já.

Negen van de tien mensen in mijn omgeving dachten dat het mij in de bol was geslagen. Sommigen kotsten me uit; anderen wendden zich van me af. Van mijn ouders kreeg ik het voordeel van de twijfel. Eén keer bracht mijn vader het op om met mij te spreken over het geloof.

Vanuit zijn padvinder-idealisme begreep hij wel dat ik in de weer was met innerlijke reiniging enzo, maar hij kon er moeilijk mee overweg. Hij gebood me er nóóit en te nimmer meer over te beginnen.

Het grappige was dat ik in de jazzwereld nog het meeste begrip ontmoette. Tenslotte hoorde je in die kring regelmatig berichten over Amerikaanse musici die de islam omarmden. In de VS deed zich de black muslim-golf voor. De islam werkte er als een emancipatorische kracht, een godsdienst die door radicale denkers - Malcolm X voorop - werd omgesmeed tot een bevrijdingsmiddel voor zwarten. Zelfs jazz-grootheden als Charlie Parker en Thelonious Monk overwogen een overstap naar de islam.

Mijn geloofsbelijdenis deed ik bij die Molukse moslims. Zij waren sjavi'iten: ze behoorden tot een liberale leerschool binnen de sunnitische islam. In de praktijk betekent dat gewoon dat je geen kommaneuker bent. Je leest de Koran als een boek vol metaforen, die lang geleden op het geïsoleerde Arabische schiereiland zijn ontstaan en die naar deze tijd en deze maatschappij toe moeten worden vertaald. Al snel wilde ik veel meer van de achtergronden weten. Ik keek naar mijn contrabas en dacht: verkopen. Mijn boeken: verkopen. Mijn meubels: verkopen.

Wegwezen, weg. Tsjak - de snee. Ik begon aan een tweede leven.

Mijn vader en mijn zus brachten me naar de trein. In een koffertje zat al wat ik nog bezat. Vier reisdagen later lag ik in een Turkse grotwoning te slapen, naast de os en de ezel in de huiskamer van mijn gastgezin. Avcilar, een dorpje in Capadocië. Een maanlandschap van zandsteen: Gaudì-achtige vormen, holen in de bergen waar eeuwen geleden al christenen schuilden voor de Romeinen.

In het holst van mijn eerste nacht daar kwam een trommelaar voorbij. Hij bonsde op deuren om mensen te wekken voor het dageraadsmaal. Het begin van de ramadan - ik ging gelijk het diepe in.

Zo maakte ik kennis met het authentieke islamleven. Vervolgens ging ik naar een orthodox imam-internaat in Istanbul. Mijn leraren beschouwden de sharia - letterlijk: de weg naar de bronnen - als een optelsom van heilige wetten. Aan dat moreel-juridisch richtsnoer viel niet te tornen. Gegeven mijn extreme individualisme was de kadaverdiscipline in dat klooster met z'n eindeloze slaapzalen en stapelbedden nauwelijks te harden. In feite was het verboden de school te verlaten.

Dag in, dag uit werkten we hetzelfde strakke schema af: les, gebed, les, gebed, les, gebed... Eerst maakte het me doodongelukkig.

Tot fysieke pijn en huilens toe.

Maar juist die zware concentratie bezorgde me verschillende momenten van verlichting.

Ik hik er tegenaan om daarover te vertellen, omdat het verhaal ongetwijfeld aanstellerig klinkt. Op een dag kreeg ik toestemming voor een verblijf in het berggebied bij de Zwarte Zee. Al mediterend voelde ik dat mijn grenzen werden opgeheven. Mijn ego loste op en werd een deel van het geheel. Ik zag de bomen mediteren, versmolt met de natuur en... Oh god, ik kan dit niet. Sorry. Mijn eerste leven, mijn Amsterdamse, heeft me zo met logica en ratio geïndoctrineerd dat ik hier geen vocubulaire voor heb.

Wat ik in Turkije deed, werd door mijn islamitische docenten vergeleken met het drinken van een kan limonade op een snikhete dag. Begerig neem je de kennis die wordt aangeboden tot je. Ik dronk daar vier jaar lang alleen maar kannen koran. Wat er achter de muren van het 'seminarie' gebeurde, in de wereld, ontging mij volledig. Parijs '68: joh, wist ik veel. Toen ik in '71 vanuit mijn religieuze spelonk terugkeerde naar Nederland, voelde ik me dan ook een kat in een vreemd pakhuis.

Binnen no time was ik Turk met de Nederlandse Turken. Die behandelden me als een trofee: eindelijk iemand die tegemoet kon komen aan hun religieuze behoeften. Ik ging voor in gebed, hield preken, gaf kinderen godsdienstles.

Kranten las ik niet, met Nederlanders had ik niet of nauwelijks contact. Gelukkig werd ik door welzijnsorganisaties en de Raad van Kerken uit dat getto gesleurd.

Die raadpleegden mij omdat buitenlandse werknemers witte vlekken op hun kaart waren. In die tijd wist men bij wijze van spreken niet eens wat een Turk of een Marokkaan wás. Zo'n man had de status van homo economicus, menselijke productiemachine.

Dat die mensen graag een moskee wilden hebben, was curieus: blijkbaar beschikten ze over een geestelijk leven. Kon ik dat even uitleggen? Langs die weg ontwikkelde ik me tot intermediair.

Ik werd natuurlijk ervaren als een hele conservatieve moslim.

Ikzelf dacht de enig ware islam te belichamen - op het imam-internaat was mij geen begrip voor minder strenge varianten bijgebracht. Maar in de loop van de jaren zeventig liberaliseerde ik. Eerlijk gezegd heeft Farida, mijn echtgenote, me heropgevoed in de islam. Zij komt uit de vrijzinnige Molukse traditie. Achteraf gezien vind ik het afschuwelijk, maar ik was zo'n moslim die dacht sober en rein te kunnen leven - frivoliteiten leidden maar af van spirituele groei - en ik legde mijn vrouw dat regime ook op.

Dus die leuke baan bij een scheepvaartkantoor moest ze opzeggen. 'Blijf in deze buurt als je boodschappen gaat doen', verordonneerde ik.

Ooit vertelde Farida me pesterig dat ze in die periode regelmatig op een brug in de verte stond te staren: wat zou daar wel niet te vinden zijn? Als we bezoek kregen, wilde ik niet dat de mannen en vrouwen in één kamer gingen zitten. En Farida mocht geen rijles volgen, zeker niet bij een mannelijke instructeur. Stukje bij beetje wist ze dat allemaal te doorbreken. Ik heb jaren bij haar op cursus gezeten om te leren dat ik mijn dogma's moest versoepelen, moest terugbrengen tot menselijke proporties. Kijk, ik was natuurlijk een islam-bekeerling. Dat zijn de ergsten.

Ik ben nog steeds blij met mijn theoretische basis, maar ik vind dat je nooit moet stoppen met zoeken. Als je stilstaat, bevries je.

En als je bevriest, houd je op mens te zijn. Mijn islam is nu een islam die tegenwicht wil geven aan de orthodoxie. Het ijkpunt was de zaak-Rushdie. In die affaire werd ik geconfronteerd met de waanzin die zich meester kan maken van fundamentalistisch redenerende mensen. Ik zat in Engeland op het moment dat men Rushdie de Booker Prize toekende en ik schrok me het lazerus van de moslim-reacties. Boekverbrandingen, een terdoodveroordeling, een fatwa - rubbish!

Ik vond De Duivelsverzen een speels en spannend boek, vergelijkbaar met werken van schrijvers die de beuk in het christendom hadden gezet. Kortom, ik realiseerde me dat ik de versteende islam achter me had gelaten.

Sindsdien schop ik daar tegenaan. In de hoop, nee, in de wetenschap dat moslims bereid zijn na te denken en de Middeleeuwen definitief achter zich te laten.

Hooguit vijf van de honderd Nederlandse moslims verkondigen met fanatieke smoelwerken rechtlijnige opvattingen, opvattingen die zij ooit in hun primitieve, agrarische geboortestreek hebben meegekregen. We hebben geen theologen, maar eenvoudige arbeiders hiernaartoe gehaald. Ik ken de Nederlandse islam-gemeenschap goed genoeg om te kunnen zeggen dat die felle stroming niet aan kracht wint.

In recente BVD-rapporten wordt een veel te zwartgallig beeld geschetst. De Turkse Welvaartspartij zou bijvoorbeeld via de Milli-Görüsbeweging de anti-Nederlandse krachten aanwakkeren. Belachelijk, pertinente flauwekul. Dit soort paranoia speelt alarmisten als Gerrit Komrij en Pim Fortuyn in de kaart: wéér een reden om moslims te beschrijven als een obscure vijfde colonne.

Ook Bolkestein spint er garen bij. Ik vind zijn manoeuvres idioot en kwalijk. Hij denkt - niet alleen in deze kwestie, je ziet het hem vaker doen - dat mensen zijn rabiate benadering wel pikken als hij na verloop van tijd wat gas terugneemt. Een paar jaar geleden hield hij die redevoering in Luzern: Europa zou beter af zijn zonder moslims, de joods-christelijke cultuur is van een hogere beschavingsorde dan de islam. Zijn onlangs verschenen boekje 'Moslims in de Polder' wekt de indruk dat hij er genuanceerder over is gaan denken. Maar lees het laatste hoofdstuk: daarin herhaalt hij in bedekte termen zijn oude betoog.

Figuren als Bolkestein staan op de oever van hun gelijk te schreeuwen naar de overkant van de rivier. Ik bouw liever bruggen tussen mensen. Jaren heb ik dat als 'veldwerker' nagestreefd; sinds kort doe ik het schrijvend. Ik publiceer stukken in Trouw en ik werk aan een boek met de titel Islam, Liefde en Seksualiteit. Op dat punt is de communicatiestoornis tussen Nederlanders en moslims waarschijnlijk het hevigst. Moslims hebben dat voor een groot deel aan zichzelf te wijten. Ik merk dat islamitische jongeren absoluut niet op de hoogte zijn van wat de profeet over dit onderwerp heeft gezegd, wat latere geleerden hebben beweerd, enzovoorts. Door valse schaamte is de seksuele voorlichting bij hen thuis net zo gebrekkig als-ie rond 1960 in het gemiddelde Nederlandse gezin was. Ik wil de mogelijkheden tot geluk vergroten door bronnenmateriaal aan te reiken.

Dan kunnen moslimjongeren hun eigen keuzes maken.

Om te beginnen is de islam - in tegenstelling tot het christendom - niet lustvijandig. Volgens de koran verschaft seks de mensen rust en harmonie. Dus als je onderweg naar de moskee de nieuwe Jane Mansfield tegenkomt en je raakt in alle staten door haar décolleté, keer dan om en vrij met je vrouw. Mohammed, mijn profeet, was een uitgesproken liefhebber van seks. Hij trouwde met negen vrouwen. Een van de hete hangijzers is natuurlijk de vraag hoe hij dacht over maagdelijkheid. Als je goed leest, zie je dat hij het preferabel acht.

Maar het is niet per definitie haram (verboden) om met elkaar naar bed te gaan vóór het huwelijk. In de koran wordt trouwen sowieso niet verplicht gesteld, wel aanbevolen. Nou, zo kan ik doorgaan. Homoseksualiteit: geen probleem, is iets tussen mensen en god. Masturbatie: aangezien het vreemdgaan, rondneuken en verkrachting voorkomt, mag het soms. Ons woord dildo stamt trouwens van het Arabische duldul, de naam van Mohammeds muildier. Snap je de symboliek?

Een muilezel kan geen kroost verwekken.

Voorschriften die letterlijk worden genomen - ik weet inmiddels uit eigen ervaring dat het resulteert in geblinddoekt door het leven gaan, in hypocrisie en onrechtvaardigheid, in tragedies tussen mannen en vrouwen. En dus wil ik nu de aanhangers van het conservatieve islamitische gedachtengoed een lesje leren. Als een pot die - na het opdoen van de nodige levenservaring - de ketel durft te verwijten dat-ie zwart ziet. Iemand moet de bemiddelaar zijn tussen moslims en moslims, tussen moslims en Nederlanders. Iemand moet zo'n koppige eigenheimer wezen dat-ie in dat moddergevecht overeind blijft. Iemand moet gehoond, gehaat en verketterd durven worden. Ik ben bang dat die rol mij op het lijf is geschreven.

Wouter van Bommel (1944, Amsterdam-Noord) was mede-oprichter van de Federatie Moslim Organisaties ('75-'80). Hij zette het Moslim Informatie Centrum in Den Haag op, waar hij tot begin jaren negentig coördinator en imam (voorganger) was. Van Bommel werd in 1993 benoemd tot directeur van de Nederlandse Moslim Omroep. Eind vorig jaar werd hij door het NMO-bestuur op non-actief gesteld: hij zou 'onvoldoende managementkwaliteiten' hebben en zich schuldig maken aan 'financieel wanbeheer'.

Drie maanden geleden werd Van Bommel na een juridische procedure ontslagen. De rechter verweet hem (“Om eerlijk te zijn: terecht”) in een enkel geval budgettaire bevoegdheden te hebben overschreden, maar stelde vast dat hij verder niet was tekortgeschoten.

'Onverenigbaarheid van karakters' maakte voortzetting van het arbeidscontract onmogelijk.

Van Bommel ontving een schadevergoeding van 45.000 gulden. Momenteel houdt hij zich onder andere bezig met het ontwikkelen van onderwijsprogramma's voor jonge moslims.

Daarnaast runt hij het adviesbureau Information Services Islam, actief op het kruispunt van de islamitische, christelijke, joodse en hindoeïstische culturen.

“Tot nu toe ben ik de media dit jaar uit de weg gegaan”, zegt Van Bommel. “Als je onrecht ervaart, word je agressief. Dan kun je het beste een adempauze nemen. Maar zo langzamerhand ligt de pijn van die omroeptroubles achter me.”